maandag 16 juni 2014

Kanelsnegl



Europa is leuk. Maar Europa moet wel buiten de landsgrenzen blijven. Dat is ongeveer de houding van Denemarken tegenover Europa. Men heeft hard geprobeerd om Europa op verschillende vlakken buiten de deur te houden. In de 7e eeuw bouwde men bijvoorbeeld een hele grote muur die Denemarken afsloot van Europa, de Dannevirke. Maar daar hebben ze nu niks meer aan omdat die, door enige onregelmatigheden met hun zuiderburen, tegenwoordig in Duitsland ligt..
Nee, nu probeert men Denemarken voor de Denen  te behouden door regeltjes op te stellen. Niet in het minst met betrekking tot de verworvenheden van de Deense welvaartsstaat. Die was slechts voorbehouden aan de Denen. Buitenlanders hadden daar niet of nauwelijks toegang toe.
Kinderbijslag? Nou, vooruit. Maar dat moet je wel in een periode van twee jaar opbouwen. Studiefinanciering? Dat regel je maar in je eigen land. Zoals ik eerder schreef, is Denemarken op die vlakken terug gefloten door Europa. En hebben de Denen dat net allemaal een beetje verwerkt, dient zich de volgende Europese bemoeienis aan.

De kanelsnegl. Letterlijk: Kaneelslak. Deens gebakwerk dat, de naam doet het al vermoeden, kaneel bevat. http://shop.delikantinen.dk/shop/img/Kanelsnegl.jpg Naar de smaak (haha!) van Europa, zit er echter teveel kaneel in de kanelsnegl. Kaneel bevat coumarine, een stof die mogelijk kankerverwekkend is. Maar om een kanelsnegl gevaarlijk te laten zijn moet je er twee per dag eten. Een jaar lang…
En daar klommen de Denen weer op de barricaden. Te wapen! Een nieuwe aanval op de Deensheid! De kaneelslak werd bedreigd! Wederom werd een stukje, overigens zeer smakelijk, Denemarken bedreigd door Europa.
Opnieuw bood regelgeving echter uitkomst. De kanelsnegl is sinds vandaag bestempeld als een uniek stuk Deens bakwerk. En daarmee vrijgesteld van regels aangaande hoeveel kaneel er in voedingswaren mag zitten. De Denen kunnen opgelucht ademhalen en kunnen hun oude, vertrouwde kanelsnegl blijven eten bij de koffie.
Maar als Europa zich al druk maakt om die paar gram kaneel in de Deense kanelsnegl, dan vrees ik de reactie van Brussel als ik vertel wat Denen in noord Jutland die 25 jaar worden overkomt. Die worden aan een lantaarnpaal gebonden, krijgen een emmer water over zich heen en worden daarna bedolven onder kilo’s kaneel… Dat komt dan gezondheidstechnisch nooit meer goed. Helemaal niet omdat ze op hun dertigste verjaardag het zelfde moeten ondergaan. Maar dan met peper…

vrijdag 16 mei 2014

Kaaik dar!



Soms moet je mensen een tijd niet zien, om te kunnen beseffen dat je zelf verandert. Of dat je kinderen heel stiekem aan het veranderen zijn. Want klaarblijkelijk beginnen Alex en Yelena Nederlands met een Deens accent te spreken...
Mijn vader, die zich blij vlagen bedient van een licht Amsterdams accent, grapte dat Alex een echte noord Hollander begon te worden, zoals door van een –ij- een –aai- klank te maken. Maar dat zou raar (parbleu!) zijn geweest omdat zijn vader alleen elitair en zuiver hooghaarlemmerdijks*) spreekt uiteraard en zijn moeder niet uit Noord Holland komt. Die kan dan wel weer met een Limburgs accent praten, maar daar is ze voor behandeld. En een schrikstok doet wonderen bij eventuele terugvallen…

Maar goed, de kinderen dus. De opmerking van mijn vader had nog alleenstaand kunnen zijn. Maar vervolgens merkt mijn zuster, die een licht Noord Hollands danwel West Fries accentje heeft, op dat de kinderen met een Deens accent praten. Lang leve series als Broen en Forbrydelsen.  Want blijkbaar kunnen Hollanders… ehm… ik bedoel Nederlanders (tsjee, ik verdeens…) daardoor een accent als Deens herkennen. Dus ben ik toch maar eens gaan luisteren naar wat kinderen nou eigenlijk allemaal tegen me zeggen. En dat was heel verhelderend. Want inderdaad, hun manier van Nederlands praten, begint Deense invloeden te krijgen.
Het Deens is een vlak uitgesproken taal waarbij het laatste deel van de zin omlaag gaat in de uitspraak. De zinnen worden opgedeeld in losse stukjes waarbinnen de woorden aan elkaar geplakt worden. Het Nederlands van de kinderen kent dat verschijnsel ook. Deens is daarnaast een taal die zo ongelooflijk voor in de mond gesproken wordt, dat eigenlijk alle worden en letters vervormd worden tot een luchtige, monotone brei waarbij je de woorden echt moet kennen, wil je ze herkennen. Dit tot groot vermaak van de Noren, die van mening zijn dat de Denen elkaar al jaren niet meer verstaan en nu alleen nog maar doen alsof. Neem het Deense woord voor überhaupt, dat schrijf je “overhoved” maar je zegt oowehoowed. Het zelfde beginnen de kinderen nu ook op hun Nederlands toe te passen…

En zelf lopen wij alweer 2,5 jaar in Denemarken rond, dus wij zijn het gewend. Wij horen het niet meer. Of onze hersenen accepteren het als een normale taalbeheersing. Wordt het dan tijd voor een schrikstok of een andere vorm van taalkundige correctie? Nee hoor. Dit is natuurlijk onvermijdelijk. Het zal alleen maar meer worden naar mate de kinderen hier langer wonen. En mochten we uiteindelijk weer naar Nederland terug keren, dan zal het Deense accent zonder twijfel snel ingeruild worden voor het lokale Nederlandse accent.

*)volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal: "eene schertsende benaming voor de taal van personen, die niet hun eigen dialect, maar eene aangeleerde, onnatuurlijke taal, of boekenhollandsch spreken. 
Dat u het even weet…

zaterdag 26 april 2014

Aan de lopende band



Memoreerde ik eerder op Facebook dat je leven een hele rare kant op is gegaan, als er opeens liedjes van Acda en De Munnik op van toepassing zijn, blijkt het eigenlijk nog veel erger te kunnen. Want welke afslag heeft mijn leven genomen dat ik opeens in een liedje van Andre van Duin terecht ben gekomen?

Ik sta al jaren, dat is het rare, aan de lopende band. En als je eventjes niet goed oplet, dan loopt het uit de hand.

Zoals deze olijke zanger jaren geleden reeds dichtte, middels voorspelbaar eindrijm maar tevens met een jolig stukje binnenrijm. Want zo werd ik onlangs op een ochtend gebeld door een dame van het uitzendbureau. Of ik nog steeds wilde werken. Ja, maar natuurlijk!
Fijn, smeer wat brood en rep je naar Adecco, dan brengen wij je. Zo gezegd, zo gedaan en niet veel later zoefde ik in een fijne Mercedes naar de haven van Aalborg alwaar ik samen met een tweede uitzendkracht werd afgeleverd bij een afgelegen, schimmige loods.
In de loods stonden honderden, zo niet duizenden dozen van een enkel type Weber grill en een inderhaast opgetrokken montagelijn. Aan het begin van de lijn werden de dozen geopend, leeggehaald, de grill werd gedemonteerd, vier kleine onderdelen vervangen, de grill werd weer gemonteerd en aan het eind van de lijn weer in de doos gedaan. 

En een boutje en een moertje en een schroeffie en een nippeltje

De werkzaamheden werden toevallig die dag geobserveerd door een Amerikaan die namens Weber aanwezig was. En alle stereotypen kwamen uit. Heerlijk. Het vette accent (Chicago, hoewel volgens mij deels extra dik aangezet), erg makkelijk in de omgang, no nonsense en relaxed tegenover de ondergeschikten maar ook heel duidelijk niet gediend van bullshit en kinken in de kabel.
Die middag heb ik vermoedelijk 300 dozen ingepakt, dicht getapet en op pallets gestapeld. Onder mijn avondeten werd ik gebeld of ik de volgende dag weer wilde komen. Vanzelfsprekend!

Ik draai een moertje aan en ik een schroeffie aan, oh wat interessant!

Na een fijn fietstochtje de volgende morgen, veertig minuten en door een prachtig klein dorpje pal naast Aalborg, meldde ik mij stipt om 8 uur voor de tweede werkdag. Die dag stond naast mij iemand die dusdanig veel op Wim Helsen leek, dat ik me moest inhouden niet op een stapel pallets te klimmen en te scanderen:

Ik zou u gaarne riposteren
tot gij uw takken slijpt.
Uw messen en uw peren,
geen mens die mij begrijpt!

Niet alleen zou inderdaad niemand mij begrijpen, maar de kans was dan ook niet onaanzienlijk geweest dat ik mijn tang weer moest inleveren (wie heeft die gek een scherp voorwerp gegeven?) maar ook dat het uitzendbureau naar alle waarschijnlijkheid een klant zou zijn verloren (“Alleen hoeren hebben klanten!” Eelco, hou je mond nou…). Oh, en wie deze strofe niet kent: youtube, Wim Helsen, gedicht.
Maar goed. Het werk was ultiem hersenloos maar misschien juist daardoor ook wel weer bevredigend. Even niet hoeven nadenken over wat je doet, is soms ook wel eens ontspannend. Beetje kletsen met de mensen om je heen. Deens weer een beetje activeren. En zelfs na een enkele dag alleen maar Deens merkte ik hoe goed dat voor mijn eigen Deens is. Want de avond na mijn eerste dag ging ik schermen en tot mijn eigen verrassing heb ik her en der met mensen praatjes aangeknoopt en rolde mijn Deens aanzienlijk vloeiender van de tong. Ook een fijne opsteker!

maandag 21 april 2014

Over domme vis...



De verhalen liggen op straat. Of in het water. Als je maar goed om je heen kijkt.

Deze dagen wordt er naar hartelust gevist langs de fjord. Al geruime tijd zie ik, fietsend over de brug, grote schares sportvissers staan hengelen. De laatste paar dagen vergezeld door een toenemend aantal pleziervissers in bootjes. En allemaal aan een kant van de brug, rechts als je vanuit het centrum komt. Het was me niet eens als zodanig op gevallen. Maar zoals bij veel dingen geldt, het heeft een reden, zo leerde ik zondag.
Het fraaie lenteweer en twee kinderen die de beperkingen van een tweekamer flat probeerden op te rekken, zorgden er voor dat ik Alex en Yelena meenam op een wandeling naar het centrum om ze daar te verblijden met een ijsje. Over de brug lopend wilden Alex en Yelena eerst naar de vissers en hun vangst kijken. Of er nog vissen waren die “flapflapflap” op de kade lagen. Want dat leidt bij de kinderen tot een onbedaarlijk gegiechel.
En jawel hoor, de sportvissers hadden weer flink beet. Emmers vol spartelende vis tot vermaak van de kinderen. Lekker dichtbij gaan staan en terugdeinzen als ze nat gespetterd worden. Goed kijken naar een in stukken gesneden vis in een plasje bloed. Maar toen een van de vissers vroeg of ze een levende vis vast wilden houden, schoten ze onmiddellijk weg achter papa. Echt niet! Zo Deens zijn ze dus nog niet.
Langs de kade een enorme diversiteit aan mensen en talen. Denen uit alle lagen van de bevolking, oost Europeanen, Groenlanders met hun volslagen onverstaanbare taaltje. Alles door elkaar, lekker vissen, auto op de kade, achterklep open met koelboxen vol bier en versnaperingen. Meget hyggeligt!
Na het ijsje liepen we weer terug langs de vissers en daar raakte ik aan de praat met een man die juist een lijn met vijf haringen had binnen gehaald. “Vissen zijn dom” sprak hij lachend. “En deze helemaal! Elk jaar in april komen er scholen haring de fjord binnen gezwommen. En overdag blijven ze hier voor de brug rond zwemmen tot het nacht is. Waarom? Omdat de brug overdag een donkere schaduw in het water maakt, waardoor de haringen denken dat ze niet verder kunnen. Pas ’s nachts, als de zon weg is, zwemmen ze weer door. Daarom staat iedereen hier te vissen.”
En vissen was dan nog sportief uitgedrukt. Bij vissen verwacht je urenlang turen naar een dobber. Een oerstrijd tussen een jager en zijn prooi, gewonnen met veel geduld en een stevige hengel met aas dat geen vis kan weerstaan. Maar zoals gezegd, haringen zijn blijkbaar de Gekke Henkies van het vissenrijk. Haringen happen in haakjes zonder aas. Zwemmen langs haakjes en blijven steken. Ik heb vissers een lijn met zes haken zien uitgooien om na vijf minuten zes haringen binnen te halen. De een met de haak in zijn bek, de ander in zijn rug en weer een aan zijn staart. Als je lange benen zou hebben, kun je volgens mij gewoon met een schepnet haring vangen.
En ’s avonds bleek dat ook Alex het stukje over de domme vissen goed gehoord had. Hij zat de inhoud van zijn vissticks kritisch te bekijken en ik zei “dat is andere vis dan die we vandaag hebben gezien…” Waarop hij tevreden een hap nam en zei “oh, is dit dan slimme vis?” Dat jochie komt er wel.

donderdag 10 april 2014

Arbeidstrots



Arbeidstrots, kent u die uitdrukking? Ik sinds vandaag wel weer. 

Enigszins ongemakkelijk en broedend zat ik in wat nu feitelijk het huis van mijn ex is, te wachten op de schoorsteenveger. In mijn hoofd visioenen van ongeïnteresseerde beunhazen, wellicht voldoend aan het vooroordeel dat het oost Europeanen zijn die lokale banen inpikken en het huis achterlaten in een wolk van roet.

Tot het moment dat de veger voorreed. Uit de zwarte auto stegen twee mannen in zwart. Een oude man en een jongeman. Want hier kent men het gildensysteem nog, met meesters en gezellen. Hun zwarte kostuums waren afgezet met grote, glimmende knopen zoals in de 19e eeuw. Voorbeeldje: http://www.rebildfejeren.dk/files/dyn_ban_images/7.jpg      

De gezel werd het dak op gestuurd en de meester begaf zich naar de haard. De klus zelf was in een vloek en zucht geklaard en na vijf minuten begaf de meester zich weer naar de deur en maakte aanstalten afscheid te nemen. Tot ik mijn bewondering uitsprak over hun uniform. Want dat is iets dat ik dat als Nederlander niet gewend ben. Zijn dracht ken ik alleen van oude foto’s.

De man deed een stapje achteruit, stak zijn borst vooruit en vertelde dat hij al 42 jaar schoorsteenveger was. En dat hij trots was het bijbehorende kostuum te dragen. “Ja”, zei de meester, “ik draag nu een pet, maar onze hoge hoeden liggen gewoon in de auto. Is wat onhandig bij het steeds in en uit stappen. Maar wij zijn trots op ons beroep en die hoeden en het uniform horen er bij. En als mijn gezel niet zijn pak met knopen aanheeft, hoeft hij niet in te stappen.”
Vervolgens haalde hij een groot stuk ijzer uit zijn riem. Een soort grove metalen schoenlepel. “Dit is een werkijzer. Kun je gebruiken om dingen los te tikken, te klemmen, als klimhulp, voor van alles. En als schoenlepel. Tegenwoordig koopt iedereen ze, maar deze heb ik zelf gemaakt, 46 jaar geleden, toen ik in de leer ging.” (veelbetekenende blik richting zijn gezel…)
De zware metalen schoenlepel ging terug in de holster en hij wees vervolgens naar zijn glimmend gepoetste (en aardig versleten) gesp. (zoals deze: http://imageservice.nordjyske.dk/images/nordjyske.story/2012_08_21/cc5243af-198f-4f97-96c7-31083d847256.jpg)
Ook reeds in zijn bezit sinds hij in de leer ging. Het enige dat afbreuk deed aan zijn Dickensiaanse voorkomen, was de kleine oortelefoon die hij droeg. Maar hij droeg zijn kostuum met een grote vanzelfsprekendheid en trots.

In Nederland zou ik een dusdanig uitgedoste schoorsteenveger potsierlijk vinden. En eigenlijk alleen verwachten in het Openluchtmuseum. Of vooruit, op de Dickens dagen in Deventer. Maar nog steeds potsierlijk. Een anachronisme. Maar om zo iemand hier tegen te komen, en zo duidelijk trots op het beroep dat hij vertegenwoordigt, maakt dat ik het eigenlijk alleen maar leuk vind. En stiekem een beetje jaloers ben. Want arbeidstrots, waar vind je dat nog op deze manier…