dinsdag 14 april 2015

Vuurdoop



de vuurdoop
zelfst.naamw. (m.)
Uitspraak:  
['vyrdop]
1) eerste keer in een gevechtssituatie defensie
Voorbeeld:  
`de rekruten ondergingen hun vuurdoop`


2) eerste keer dat je iets doet of meemaakt
Voorbeeld:  
`je vuurdoop als leerkracht goed doorstaan`



Na een rustig begin van de werkdag met een kop koffie in de portørcentrale, maar eens aan de slag. Een patiënt van zijn afdeling naar röntgen op de begane grond. Rustig aan beginnen. Op het moment dat ik de röntgenlaborante meld dat de patiënt er is, ratelt mijn pda het nood-riedeltje. Een hartstilstand, de derde al vanmorgen. En nu op de verdieping waar ik net vandaan kom. Niet nadenken, aanklikken en weg. Spannend, de eerste keer dat ik dit ga doen. Door een groep bezoekers heen rennen, trappen op en naar de afdeling. Er staat al een verpleegster die wijst waar ik moet zijn. Terwijl ik de kamer binnen kom, verdwijnen alle zenuwen. Ik  doe mijn uniformjas uit, trek twee handschoenen aan en neem volkomen zeker van mezelf over van de verpleegster die al aan het masseren is.

…26, …27, …28, …29, ….30 tel ik hardop en stop met masseren zodat degene bij het hoofd zuurstof toe kan dienen. Als ik weer opnieuw begin voel ik de hand van een collega op mijn rug om aan te geven dat hij ook binnen is.

… 26, …27, …28, …29, …30 tel ik weer hardop en terwijl de patiënt weer zuurstof krijgt stap ik achteruit en laat mijn collega overnemen. Ergens in het proces heeft de patiënt, een man van in de zestig, op zijn tong gebeten. Er komt bloed uit zijn mond. Na een paar minuten neem ik weer over.
Ondertussen is de kamer volgestroomd met allerhande medisch personeel en apparatuur. Uiteindelijk is er maar een minuut of tien massage nodig voor er weer een goede hartslag is. Wij trekken onze handschoenen uit, wassen de handen, trekken onze jasjes weer aan en gaan naar buiten.

“Zo, mijn eerste hartmassage.” Zeg ik tegen mijn collega. “En? Was het naar?” vraagt hij me. “Nee, niet naar. Gewoon werk eigenlijk.” En na een wederzijdse schouderklop gaan we weer ieder naar onze werkzaamheden.

Kwart voor drie. Net klaar met een ronde helpen op de intensieve afdeling klinkt opnieuw de noodriedel. Weer een hartstilstand. Drie verdiepingen lager. We willen allebei klikken, maar de opdracht is al opgepakt door twee andere collega’s. Toch rennen we naar beneden. We hebben allebei nog weinig ervaring, dus elke mogelijkheid grijpen we aan. We komen de kamer binnen en op bed ligt een vrouw van halverwege de veertig. Een collega staat al te masseren. De gebruikelijke dertig seconden, twee puffen zuurstof en weer dertig seconden. Maar al snel gaan we over op continue massage die alleen om de twee minuten wordt onderbroken voor een check.

Dan ben ik aan de beurt. Opnieuw die rust. Je weet wat je moet doen en je gaat er voor. Twee minuten masseren. Twee minuten, het is zo kort. Maar het voelt als oneindig lang op zo’n moment. Je bent volkomen gefocust op het masseren, een goed ritme. Maar je hoort ook alles om je heen. De artsen die info vragen, patiënthistorie die luidkeels wordt opgelezen, het verzoek te stoppen met masseren om te zien of het hart het al weer alleen af kan. Nee. Verder masseren. Het is geen bevel, gewoon een zin die niets aan duidelijkheid te wensen overlaat.

Terwijl ik weer twee minuten masseer begint de patiënt bloed op te hoesten. Het sproeit onder het zuurstofmasker door en ik voel de spetters op mijn blote armen landen. De borst is onderhand ook een glibberig oppervlak van mondslijm en bloed geworden en het wordt lastig niet steeds weg te glijden van het borstbeen. Ik zit ondertussen op mijn knieën op de rand van het bed, mijn linker knie in een klein plasje roze vocht.

Als ik stop, neemt een collega het aan de andere zijde van het bed over. We moeten plek maken voor een operatieve ingreep. Er is sprake van een embolie, als ik het goed gehoord heb. Ik loop naar de andere zijde van het bed terwijl een chirurg zijn scalpel pakt en de lies open snijd. Omdat de massage vermoedelijk langdurig gaat zijn, wordt Lucas gehaald. Lucas is een hartmassage-automaat. Wordt over de borst heen gezet en lijkt nog het meest op een mechanische wc-ontstopper.

Uiteindelijk na vijfentwintig minuten hartmassage verzoekt de arts de behandeling te staken. Zijn collega kijkt op de klok en constateert nuchter 15 uur 23. De kamer stroomt weer leeg. Wij pakken onze jassen, brengen Lucas naar de eerste hulp en gaan maar eens een kop koffie drinken in de centrale. Ik heb mijn vuurdoop gehad.

vrijdag 20 maart 2015

Eten



Het is herhaalde malen voorbij gekomen, maar Denen houden van eten. Elk moment van de dag. Het zijn eigenlijk een soort Hobbits op dat vlak. Iedereen die Lord of the Rings, deel 1, heeft gezien, herinnert zich ongetwijfeld de verbijsterde Pippin die alleen ontbijt krijgt en geen tweede onbijt, elf-uurtje, lunch, etcetera. Alex vertelde al hoeveel eetmomenten er in de klas zijn. Drie a vier keer eten en dat voor 14.00 uur. Want dan gaat de school uit. Op de opvang wordt dan het resterende eten uit de trommel genuttigd. Als ze daar niet nog weer wat zelfbaksels produceren als tijdverdrijf.

Maar in het ziekenhuis gaat het dus net zo. Afdelingen hebben hier een menukaart staan. Ontbijt rond acht uur. Brood met divers beleg plus yoghurt of pap. Daarna is het afzien tot een uur of half elf. Dan komt de koffie met een schaaltje koek (een schaaltje per patient, welteverstaan). Tegen de tijd dat dat verteerd is, is het tijd voor middageten. Doorgaans drie a vier stukken smørrebrød of iets warms. Zo rond een uur of half vier is het dan tijd voor opnieuw een kopje koffie met iets er bij plus nog wat fruit. Dan wordt tussen zes en zeven een driegangen diner van soep, hoofdgerecht en dessert aangeboden. En tot slot, zo rond negenen nog een late night snack.

*Burps*

En goedkoop rottig ziekenhuisvoer is het dus absoluut niet. Ik loop watertandend langs de uitgestalde smørrebrød. De soep ruikt heerlijk, de diverse borden avondeten zien er royaal uit. En het kost me moeite niet een zooi koek of chocolaatjes mee te snaaien als de zusters niet kijken… Maar goed, de zusters hebben dan weer hele andere verleidingen. Elke dag wordt er op een van de vele afdelingen wel iets gevierd. En dan is er taart. Of koek. Of witbrood met boter. Het is vanzelfsprekend dat ook een passerende portør iets krijgt aangeboden. En ik zwijg verder over de schalen snoepgoed die op de bureaus verschijnen als de avondwacht in gaat. Het mag een wonder heten dat ik in de afgelopen twee maanden ben afgevallen, in plaats van aangekomen…

De eerste weken keek ik ook met verbazing naar wat mijn collega’s verstouwden tijdens het werk. Ik weet niet of Albert Heijn nog die kleine appeltaartjes verkoopt. Die in vieren gesneden net een aardig stukje bij de koffie waren. Nou, de in de kantine geserveerde onsdagsnegle (een grote variant op de kanelsnegle, waar een eerder blog over ging) wordt hier als eenpersoons hapje bij de koffie genuttigd. En qua lunch… Grote hoeveelheden brood, roggebrood, pasta, rijst. Ik zie collega’s een blikje tonijn over twee roggebroodjes verdelen en er dan een fles remoulade over leegknijpen. En daar zit ik dan. Met mijn vijf sneden brood en een notenreep voor bij de koffie.

Nouja, die notenreep maakt dan wel af en toe plaats voor een groot stuk bakwerk uit de kantine.  Of ik snij een stuk taart van Deens formaat. Want een ronde meehelpen met de verpleging op de intensieve afdelingen, daar moet je wel even een goed bodempje voor leggen. Maar ik merk wel dat ik een actieve baan heb. Ik eet tegenwoordig tegen de klippen op. En ik kom geen gram aan. Ik moet weer even een nieuwe balans vinden.

Waar ik overigens ook een nieuwe balans in moet vinden, zijn mijn pauzes. Ik heb al van verschillende collega’s gehoord dat ik wel wat rustiger aan mag doen. In het mortuarium sloeg collega T. een arm om mijn schouder en zei “Eelco, neem je wel genoeg pauze? Ik zie jou alleen maar werken. Wat vaker een kop koffie in de centrale mag best." Maar ja, als je gewend bent dat je koffie aan je bureau drinkt en je eigenlijk alleen middagpauze hebt, dan is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Ik hou het er maar op dat mijn Nederlandse mentaliteit van doorbikkelen flink moet wennen aan de Deense mentaliteit van “neem ook wat tijd voor jezelf…”
Al wordt daar ook een tikje in overdreven. Toen ik net begon, werd er al gezegd dat sommige oudere portørs zo hun plekjes hadden om even off radar te zijn. Ik heb al enkele van die plekken gevonden. Van de afvalcentrale tot het kantoor in het mortuarium. Benieuwd wat voor leuke plekjes ik nog meer weet te ontdekken…

dinsdag 3 maart 2015

Twee maanden portør



En ondertussen heb ik er dus twee maanden als portør op zitten. En reeds nu begin ik er als en portør uit te zien. Nonchalant open jasje, baardgroei, slenterende tred, bereid tot wat voor kletspraatje dan ook met wie dan ook en gewapend tegen al te bijdehandte verpleegsters. Nu alleen nog een tatoeage. En het is nog steeds leuk werk. Het is maar goed dat ik kinderen heb en dat ik gewend ben aan een brede variëteit aan soorten ontlasting. En niet alleen in bevuilde bedden…
 Tijdens mijn laatste vuilnisdienst bleek een gele zak, bestemd voor onder andere operatieafval, te lekken. De vloeistof deed qua kleur denken aan wat Alex’ produceerde als hij zich weer eens laveloos aan de moedermelk had gedronken. De geur was echter die van onversneden gal. En terwijl mijn kinderloze collega walgend probeerde de boel met zijn voeten op te dweilen, ging ik gewoon door de knieen om de boel even handmatig op te deppen. Been there, smelled that, got the t-shirt, zal ik maar zeggen.

Het grootste deel van mijn werk bestaat uit direct contact met patiënten. Uiteraard stel ik me zeer professioneel op. Maar als ik dan een meisje van halverwege de twintig ophaal van de Eerste Hulp en ik in de behandelkamer een eendenbek en twee stijgbeugels zie liggen…. Dan moet ik me toch even inhouden om niet de deur te sluiten, het licht uit te doen en met een galmende Satanische lach, klepperend met de eendenbek, op haar af te schuifelen. En de aandrang om als Igor gebocheld en wel de traumaruimte binnen te schuifelen (yesssss, massster….), levert vermoedelijk behalve het reeds aanwezige lichamelijke trauma, alleen maar psychisch trauma op.

Twee dingen zijn echter echt leuk om te doen. Al klinkt dat wel wat raar. Want het ene is overledenen naar het mortuarium rijden, het andere is bedlegerige patiënten in en uit rolstoelen helpen of ze draaien en keren in bed, zodat de verpleegster het bed of de persoon kan verschonen.
Bedlegerige patiënten, al dan niet in coma, worden met zeer veel zorg onder handen genomen. Gedraaid, gekeerd, recht gelegd. En elke aanraking wordt van te voren duidelijk gecommuniceerd zodat de patient weet wat er gaat gebeuren. Al met al dus vrij intensief werk. Mijn voorstel om de patient wat meer aan te sporen tot het zelf gebruiken van zijn spieren, middels het gebruik van een schrikstok of een ouderwetsche Pruisische rijzweep (zie je wel, als je maar wil dan kun je best! *klats*!) haalde het helaas niet.

Het is heel ontnuchterend om te zien hoe snel spieren verdwijnen. Bij patient R, die al weken op de intensieve afdeling R ligt en die ik zeer regelmatig in en uit een rolstoel help, zijn de beenspieren in de loop van een paar weken vrijwel verdwenen. Toen ik hem voor het eerst hielp, kon hij nog heel trots zelfstandig staan. Nu is op de rand van het bed zitten al een enorme prestatie voor hem. Maar elke keer dat ik hem zie en hem zelfstandig iets kan laten doen, laat ik uiteraard mijn enthousiasme duidelijk horen.
Ook de zwaarlijvige patiente H., die in eerste instantie altijd nurks in bed lag en nooit zin had om overeind te komen, kon een grote glimlach niet onderdrukken toen ze voor het eerst weer zelfstandig op de rand van haar bed kon zitten. Dat zijn hele leuke dingen om mee te maken. Het is ook heel opvallend dat vrouwen doorgaans een stuk meer doorzettingsvermogen hebben dan mannen. Op elke leeftijd. Vrouwelijke patiënten zijn doorgaans zondermeer bereid net even wat extra inzit te tonen. Terwijl de mannelijke patiënten toch veel kwijnender over komen. Alsof ze het eigenlijk al opgegeven hebben. Ik heb meerdere mannelijke patiënten, die ik met een plafondlift van bed naar rolstoel heb verplaatst, het zelfde grapje zien/horen maken: leg die strop maar om mijn nek. Dan ben ik er maar van af… Het wordt gezegd met een glimlach, maar de ogen zeggen wat anders…

Het ziekenhuis heeft twee zogenaamde zes-uurkamers. Een kamer waar overleden patiënten heen gereden worden voor ze naar het mortuarium gaan. En elke patient die daar komt te liggen, krijgt een alarmsnoer in zijn hand. Want stel je toch eens voor dat hij wakker wordt. Het is nog nooit gebeurd, maar je moet het niet in je hoofd halen het snoer te vergeten. Het hoort. Het is traditie. En we weten allemaal hoe erg Denen van tradities houden…
Ik kreeg vorige week het verzoek een overleden patient naar de zes-uurkamer te brengen. De nabestaanden wilden daar graag bij zijn. Dat kan, want naast de zes-uurskamer is een kleine afscheidsruimte waar nabestaanden nog even in rust afscheid kunnen nemen. Terwijl ik buiten stond te wachten, vroeg ik een collega hoe men nu condoleert in het Deens. Hij vertelde dat hij dat als portør nooit doet. Niet meer sinds hij een aantal nabestaanden opving die naar hun overleden vader kwamen kijken. Hij zei iets in de trant van ‘het spijt me dat uw vader is overleden…’ waarop een der nabestaanden zei: ‘Dat hoeft niet hoor, we zijn blij dat hij dood is…’ Dus dan maar volstrekte neutraliteit.

Eerder bracht ik een overleden persoon (hier een ‘mors’ genoemd) naar het mortuarium. Doorgaans liggen ze nog in het ziekenhuisbed waarin ze overleden zijn. Als de overledene dan de koeling in gaat, wordt hij in het laken gewikkeld waar hij op ligt. Ik doe dat altijd erg netjes, zodat het eindresultaat een beetje op een mummie lijkt. Dat valt blijkbaar op, want collega T. stond naar mijn eindresultaat te kijken en complimenteerde mij er mee. Blijkbaar slaan anderen gewoon het laken snel even over iemand heen en klaar. Voor mij een kwestie van respect.

Nouja, weer even genoeg voor deze keer. Binnenkort weer een nieuw verhaaltje!

donderdag 22 januari 2015

Accent



Nu gaat mijn werkende leven in Denemarken zijn derde week in. En dat betekent dat ik nu ook al drie weken Deens praat op de werkvloer. In het begin nog een beetje onwennig, maar nu een stuk vloeiender. Mijn Deens heeft, zo blijkt, wel een accent. Dat is op zich niet raar natuurlijk, vermoedelijk zal ik dat nog lange tijd hebben. Wat wel merkwaardig is: het is klaarblijkelijk een Scandinavisch accent.

De meeste mensen die mij vragen waar ik vandaan kom, denken in eerste instantie dat ik van IJsland kom. IJsland. Kijk, ik weet best dat ik in de jaren negentig een enorme Bjørk-fetish had. Maar dan ook echt enorm. Gelukkig kreeg ik daar pilletjes tegen. Als ik nu naar Bjørk kijk, voel ik geen intrigerende kriebels meer. Maar goed, blijkbaar heeft het toch zijn sporen nagelaten in een IJslands accent op mijn Deens.

Andere mensen denken dat ik van de Faeröer kom. Die mensen negeer ik. Ook al is het een patiënt met wie ik onderweg ben, ik laat hem met bed en al staan en hij zoekt zelf zijn weg maar in dit doolhof. Ik wens niet bestempeld tot worden tot een bewoner van een paar barre rotsen in de Noordzee, waar mensen, schapen en grienden een Götterdämmerung-achtige manier van samenleven op basis van inteelt hebben ontwikkeld.

Dan zijn er mensen die denken dat ik uit Noorwegen kom. Nu moet u weten dat Denen en Noren zich verhouden als Nederlanders en Belgen. Noorwegen is het zwakzinnige kleine broertje van Denemarken. Zoals mijn onvolprezen docente Deens, Margrete, het eens uitdrukte: Noorwegen, daar ga je naar toe als je eens echt helemaal niks wil doen. Doodsaai daar. En dan steken Denen ook nog eens de draak met de Noorse taal. Dus een Noors accent is dan ook weer niet echt complimenteus.

Er zijn tot slot ook mensen die denken dat ik uit Zweden kom. Ik zat al geruime tijd te kletsen met een collega, toen ik terloops zei dat ik Nederlands spreek met mijn kinderen. Hij viel stil en keek me verbijsterd aan. “Kom jij uit Nederland dan? Joh, ik dacht dat je een Zweed was…” En dat kan ik dan wel begrijpen. Ik heb familie in Zweden en heb in de loop der jaren een beetje Zweeds geleerd. Tijdens een van de eerste lessen Deens in Nederland sprak docente Margrete me al bestraffend toe. Ik mocht geen Deens met een Zweeds accent praten. Blijkbaar was ze niet streng genoeg…

Goed, ik spreek dus Deens met een Scandinavisch accent. Afgelopen dinsdag liep ik een dag mee met collega X, en terwijl we in de koffiepauze genoten van de drømmekage die zijn vriendin had gebakken, kwamen we over mijn accent maar ook over de Deense dialecten te spreken. Alle Denen die ik spreek delen de mening dat zuid-Juts onverstaanbaar is. Bijna een aparte taal binnen Denemarken. Hier in het noorden wordt, uiteraard, noord-Juts gesproken. Ook lastig te verstaan, maar ik begin er aan te wennen.

Zo zeer zelfs, dat collega X mij er op wees dat ik ook een beetje noord-Juts in mijn Deens begin te vlechten. Voorbeeldjes? Het Rijksdeens voor ‘ik’ is ‘jeg’, uitgesproken als ‘jeij/jaaij’ maar in het noord-Juts wordt het uitgesproken als ‘ja’. Ik spreek het ook zo uit. Ik zeg soms ‘bette’ in plaats van ‘lille’ (klein) en ik bedien me royaal van het woordje ‘træls’. Een multifunctioneel woordje. Betekent ‘vervelend’ in alle mogelijke vormen. Van lichtelijk irritant tot heel erg vervelend. Træls is ondertussen door de rest van Denemarken opgepikt, maar het is 100% karakteristiek voor noord Jutland.

Resumerend: Een Nederlander die Deens praat met een lastig te plaatsen maar overduidelijk Scandinavisch accent met daarnaast ook nog een noord-Jutse invloed. Ik ga ze helemaal gek maken!

zondag 11 januari 2015

Aan het werk!



Lieve Kitty,
Lief dagboek,

Zo, mijn eerste echt werkweek zit er op. En wat was het een intensieve week. Niet alleen omdat ik voor het eerst in drie jaar weer in een echte voltijdbaan terecht kwam, maar ook omdat ik omgekleed en wel om 07.00 uur present dien te zijn in de portørcentrale. Dat betekent voor de afgelopen week dat de wekker ging om 05.30, haastig ontbijten, kinderen wakker maken en aankleden, op de fiets naar kdv (open 06.15) en voorschoolse opvang (open 06.20) en door naar het ziekenhuis. Het voordeel is dat ik van maandag t/m donderdag om 14.30 klaar ben en op vrijdag om 14.00. Daarnaast komen er ook nog avond-, nacht- en weekeinddiensten om de hoek kijken.

Als portør heb ik een zwijgplicht. Ik mag dus geen herkenbare zaken opschrijven. Geen namen, geen geboortedata. Niets dat ook maar in het minst tot een persoon herleid kan worden. En dat is soms wel jammer. Want bij al die mensen die je tegenkomt zitten ontelbare verhalen. Zoals de van oorsprong Duitse dame die van haar ouders een naam had gekregen die overduidelijk een positief geloof in de eindzege van het Duitse leger liet zien. En dan is het lastig om niet tegen de dame in kwestie te zeggen: “Zo, vandaag gaat u op transport…”

Goed, portør dus. Een beroep waar ik me voorheen nauwelijks een voorstelling bij kon maken maar dat een buitengewoon veelzijdig palet aan activiteiten biedt. Van het interne transport van afval tot direct contact met patiënten. Transport van zaal naar behandelruimtes en weer terug, meehelpen op de intensieve verpleegafdeling (helpen bij het draaien van bedlegerige patiënten zodat deze geen doorligplekken krijgen) en overleden patiënten naar het mortuarium brengen.

Dat directe contact met patiënten vereist een heel open, sociale, tegemoetkomende houding. Vanaf dag een viel op dat de portørs stuk voor stuk heel fysiek open en aanrakerig zijn. Naar de patient toe (gerust stellen, hand op arm of schouder) maar ook naar elkaar toe (armen om schouders, even snel aanraken in het voorbijgaan) en voor een introvert als ik, is dat best even wennen. Maar op het einde van de week deed ik het zelf ook bij het naar huis gaan.

Mijn collega’s zijn stuk voor stuk aparte, opvallende personen. Vrijwel allemaal voorzien van meerdere tatoeages. Het lijkt bijna een beroepsvereiste, zoals iemand opmerkte. En ook allemaal hebben ze een bijnaam. Het wachten is dus op wat mijn bijnaam wordt. Maar er naar vragen laat ik wel uit mijn hoofd. Want mijn begeleider vertelde dat ze een aantal jaren geleden ook een nieuwe hadden die tijdens de lunch zei dat hij heel benieuwd was wat zijn bijnaam zou worden. Een collega keek naar wat hij at (muesli) en zei: “Nou, je zit nu vogelvoer te vreten, dus heet je vanaf nu Pip (=piep)”. Zo makkelijk kan het gaan.

De afgelopen week stond in het teken van de weg leren kennen in het enorme complex. Rond het oorspronkelijke gebouw zijn in de loop van bijna 100 jaar een tiental nieuwe gebouwen verrezen die allemaal in contact met elkaar staan. Met andere woorden: een labyrint. Na mijn eerste dag had ik de neiging om als David Bowie in zijn rol van Jared in de gelijknamige film op te komen draven. Om dan, met eighties-haar en een strakke bobbel-in-de-broek benadrukkende legging de intensieve verplegingsafdeling (waar patiënten in verschillende stadia van onbeweeglijkheid op bed liggen), op te paraderen onder het zingen van “Let’s dance! Put on your red shoes and dance the blues!”

Alle gebouwen staan dus met elkaar in verbinding. Maar dat betekent wel lift in, lift uit, gangen door (vooral via de kelder) en heel veel wachten op de lift. Met patiënten kun je een lift reserveren voor transport, maar met lege bedden is het maar wachten op een lift die net leeg is. Het is een fraaie oefening in geduld. 

En ik weet niet wat ik er nu van moet denken, maar op mijn tweede dag werden wij ten tweede male gewaarschuwd voor de verlokkingen van het zusterlijke vlees. De eerste dag werd al verteld dat er eigenlijk geen fysieke grenzen zijn, geen zogenaamde ‘persoonlijke ruimte’. Dat het vaak voorkomt dat je elkaar bij het werken met een patient aanraakt, of dicht tegen elkaar aan staat. En dat dat, geloof het of niet, voor gespannen en jaloerse situaties aan het thuisfront kan leiden. Ook de nachtdiensten met weinig personeel werden genoemd als situaties waarin het contact tussen mannelijke en vrouwelijke collega’s erg intensief kan zijn. Voor de duidelijkheid: Dit dus niet op seksueel vlak, maar puur fysiek arbeidsmatig contact. Maar schijnbaar zijn er echtgenoten/echtgenotes die moeite hebben met dat idee.

De tweede keer dat dit vermeld werd, kende wel een lichte ondertoon. In bewoordingen die ditmaal neerkwamen op “Ja, de zusters zijn overwegend vrouwen. En ja, er ontstaat door het nauwe contact wel eens een bepaalde spanning. Maar: Doe. Het. Niet. Het levert doorgaans alleen maar gedoe op. Afgelopen zomer hebben we een paar invallers gehad, die het ook als een soort ‘vleesmarkt’ beschouwden. Het leverde alleen maar gedoe op. Begin er niet aan.”

Nu ben ik natuurlijk geïntrigeerd. Dit klinkt ergens wel als een bevestiging van het vooroordeel en van mijn vermoeden, dat ziekenhuizen toch een deel voorraadkastvluggertjes en bezemhokcopulatie kent. Ik denk dat ik mij maar eens waag aan wat participerende journalistiek om te zien of en zo ja, wat voor kern van waarheid er in deze vermoedens zit.

Vrijdag liep ik een ronde mee met een collega, toen ons gevraagd werd een bedlegerige patiënt van een gewoon bed op een bed met luchtmatras te leggen. Wij stapten de kamer binnen, waar een oude maar opgewekte man op ons lag te wachten. Doofstom, aldus de verpleegster. “Maar hij kan heel goed liplezen, dus als je duidelijk praat begrijpt hij je prima!” zei ze opgewekt. Ik twijfel daar ernstig aan, want als een taal nou geen enkele vorm van duidelijke articulatie kent, dan is het wel Deens… En inderdaad. De arme man begreep geen jota van wat we tegen hem zeiden. Maar dat kwam goed uit. Want ook wij begrepen geen jota van wat hij zei. Op zich merkwaardig, want zijn klanken waren volkomen ongearticuleerd en zouden dus eigenlijk zeer zuiver Deens moeten zijn…

Welnu, wat mij betreft is dit de eerste column in een hele lange serie over mijn werk en leven als portør. Als ik mij tenminste gedraag in mijn proeftijd van drie maanden…