zondag 8 januari 2017

1917



1917 is een jaar waarin veel gebeurde. Het is het jaar waarin de Communisten zeiden "hoezo langs democratische weg, wij plegen gewoon een staatsgreep....", het jaar waarin tsaar Nicolaas II de macht overdroeg aan zijn jongere broer Michael. Die op zijn beurt iets had van "ja, ik ben gekke Henkie niet..." waarna het tsarentijdperk de facto ophield te bestaan. 1917 is het jaar waarin de Amerikaanse doughboys zich vol enthousiasme in de loopgravenoorlog stortten. De Fransen eisten nog wel het opperbevel over de Amerikaanse troepen op, maar dat zagen ze toch echt verkeerd volgens de Amerikanen. Het was het jaar waarin de Franse troepen tegen hun officiers zeiden "zoek het lekker zelf uit, wij stoppen met vechten..." Het Britse koningshuis besloot zich vanaf 1917 Windsor te noemen, in plaats van hun eigenlijke naam 'von Saxe-Coburg und Gotha", een naam die na drie jaar oorlog met Duitsland als ietwat besmet werd beschouwd. En de Finnen verklaarden zich onafhankelijk van Rusland. 

In dat jaar vol grootse gebeurtenissen, heeft Denemarken ook een bescheiden rol gespeeld. Op 16 januari 1917 bereikten de Denen een verkoopovereenkomst met de Verenigde Staten aangaande Deens West Indie, nu bekend als de Maagdeneilanden in het Caribische gebied. Het was het laatste restje Deens koloniaal verleden in het Caribische gebied en Azië. 

Zoals veel landen in de 17e eeuw, zocht Denemarken ook naar expansie in oost- en west Indische gebieden onder leiding van respectievelijk de Deense Oost Indische compagnie en de Deense West Indische compagnie. De laatste werd overigens mede opgericht door twee Nederlanders. Maar dat ter zijde. In het Caribische gebied werd een aantal eilanden gekocht en veroverd die later de Maagdeneilanden, alias Deens West Indië zouden vormen. In het oosten bezaten de Denen enkele gebieden en eilanden aan de Indiase kust en enig grondgebied aan de goudkust, tegenwoordig Ghana.
Deens West Indië leverde economisch aardig wat op. Niet alleen vanwege de plantages, maar ook vanwege de slaven- en wapenhandel met Afrika. Wapens werden in Afrika geruild voor slaven, die op de plantages suikerriet moesten verbouwen, die (omgezet in suiker en rum) weer door de Denen verkocht werden. Na de afschaffing van de slavernij in 1848 kelderde de omzet van de plantages en leverden de eilanden nauwelijks nog geld op.

In de 19e eeuw gooide Denemarken de overzeese gebiedsdelen in de uitverkoop. Er waren nauwelijks nog opbrengsten en sommige gebieden waren volkomen verlaten. Allereerst werden tussen 1839 en 1868 de Deense gebiedsdelen in India verkocht aan de Britten. De Deense gebieden aan de goudkust werden in 1850 ook verkocht aan het Verenigd Koninkrijk. 

Gaandeweg werd Deens West Indië ook steeds minder winstgevend en er werd herhaalde malen geprobeerd de eilanden te verkopen. De Verenigde Staten en Duitsland hebben regelmatig een aanbod gekregen. Tijdens de vredesbesprekingen na de voor Denemarken rampzalig verlopen oorlog van 1864, probeerde men de eilanden te ruilen voor het door Duitsland bezette ex-Deense Sleeswijk-Holstein. Maar tevergeefs. Ook een verkooppoging aan de VS in 1867 mislukte nadat de eilanden getroffen werden door een orkaan waarna de VS geen interesse meer hadden. Ook een verkooppoging aan Groot Brittannië in 1896 en Duitsland (1899) liep op niets uit. Pas in 1917 hapten de Amerikanen toe. Voor 25 miljoen dollar (tegenwoordig een slordige 465 miljoen dollar) wisselden de eilanden van eigenaar.

Overigens ging die verkoop niet helemaal zonder slag of stoot. Er was binnen Denemarken wel verzet tegen en in 1916 werd er daarom een niet bindend referendum gehouden. Overigens het eerste in Denemarken waarbij ook vrouwen mochten stemmen. De uitslag was duidelijk in de meerderheid voor verkoop. 65% stemde voor, 35% tegen. De bewoners van Deens West Indië mochten overigens niet stemmen.

Het Deens nationaal museum in Kopenhagen plande een tentoonstelling rond het honderdjarig jubileum van de verkoop van de Deense West Indische eilanden, maar in 2016 werd bekend gemaakt dat het museum daar wegens bezuinigingsmaatregelen van af zag. Dit heeft tot veel ophef geleid omdat veel Denen vinden dat daarmee het Deens koloniaal verleden weggestopt wordt. Zoals bekend heeft Denemarken al weinig op met het terug zien op haar koloniale verleden (zie mijn verhaal over Groenland) en het afblazen van deze tentoonstelling werd dan ook gezien als een bevestiging daar van.

Als mini-tentoonstelling dan maar twee sluitzegels uit mijn collectie die oproepen tegen de verkoop van Deens West Indie:


maandag 2 januari 2017

2016



Berlijn, mei 1945. De zon staat stralend in een strakblauwe lucht, stofwolkjes stuiven op en verwaaien in een zachte bries. Helmut staat met gesloten geleund tegen een muurtje en warmt zich in de stralen van de zon. Een slordig gerolde sigaret in zijn mondhoek. Hij neemt een laatste trek, veegt de peuk zorgvuldig uit tegen het muurtje en legt het restant in zijn tabaksdoosje. Terwijl hij zijn schep pakt, klopt hij wat grijs stof van zijn kleren  en stapt de straat weer op. De huizen aan weerskanten van de straat zijn volslagen in puin geschoten en zo ver hij kan zien rest er niks van de stad dan eindeloze bergen baksteen en puin. Hij sluit zich weer aan bij zijn collega’s en begint een berg kalkbrokken en cement in een kruiwagen te scheppen. Het werk is eindeloos, maar je moet toch ergens beginnen…

Het is niet voor niets dat mijn vader, in een discussie hoe nu toch ook weer de drie musketiers heetten, tegen me zei “Aramis, Athos en… en…. Pathos! Nee, wacht, Aramis, Athos en Porthos. Jij bent Pathos, de vierde musketier!” Ik kan inderdaad erg pathetisch uit de hoek komen. Ook met dit intro. Maar ik vond het wel passend om een beeld te schetsen hoe goed mijn 2016 is geweest nadat de puinhopen en chaos van de voorgaande jaren eerst opgeruimd moesten worden. Want 2016 is voor mij in alle opzichten een geweldig jaar geweest. Een jaar dat ik, al zeg ik het zelf, dubbel en dwars heb verdiend.

2016 is voor mij het jaar geweest waarin alles eindelijk weer een beetje fatsoenlijk op de rails kwam te staan. Huis, werk, sociaal leven, het kwam allemaal samen. En dat geeft een hoop rust en tevredenheid.

Mijn broertje trouwde in december en op de voorafgaande borrel raakte ik aan de praat met zwager R. die informeerde naar hoe het nu met me ging in Denemarken. En ik vertelde hem dat ik bij tijd en wijle een heel dubbel gevoel heb, als ik er even bij stil sta dat ik nu woon en werk in Denemarken. Aan de ene kant het besef dat ik naar Denemarken ben gekomen voor een nieuwe toekomst met mijn gezin, maar dat die droom aan gruzelementen is gegaan. En aan de andere kant het gevoel dat ik dankzij mijn komst naar Denemarken mijn droombaan heb kunnen vinden. Dat besef is raar, en heel dubbel.

Het tweede jaar van die droombaan zit er ondertussen ook weer op, en het voelt alsof het werk nog steeds leuker en leuker wordt. Mijn opleiding is zoals bekend afgerond, met uitstekend resultaat mag ik wel zeggen. Van de opleiding heb ik genoten. Niet in het minst van het verblijf in een uitstekend hotel met royaal ontbijtbuffet en de vluchten van en naar Kopenhagen die betaald werden door mijn werkgever. Elke avond klokslag acht onmoetten mijn drie collega’s en ik elkaar in de lobby voor avondkoffie, met koek die wij steeds om de beurt kochten. Om dan nog even een uurtje of anderhalf uur te bomen over werk, cursus en privé.

Op school leerde ik vooral veel over verschillende ziektebeelden, weer wat basale biologie over de werking van het lichaam en veel, heel veel technieken om patiënten te mobiliseren. Dat werd aangevuld met praktijkdagen in mijn eigen ziekenhuis waar ik mee liep op verschillende afdelingen. Van intensive care tot mortuarium, van eerstehulp tot røntgen. Elke praktijkdag was een belevenis. Daar tussendoor waren verschillende dagen waarop ik op pad ging met mijn begeleider. Terwijl ik mijn dagelijkse werk deed observeerde hij en gaf waar mogelijk verbeterpunten aan.

Op 21 december werd de cursus afgesloten met een examen dat ik met glans doorstond. Ik was de eerste die op mocht en op het moment dat ik door de gangen liep, gevolgd door mijn begeleider (die als tweede man zou fungeren bij een mobilisering), de censor die mij examineerde en een vierde persoon als soort opzichter, voelde het wel spannend. Maar zodra ik aan een klus begon, verdwenen de zenuwen en werd het gewoon mijn werk. De censor was erg te spreken over mijn no nonsense houding. Toen we de intensive care op liepen waar de hersenpatiënten liggen, vroeg hij of ik wat over de afdeling kon vertellen. “Hier liggen de neurologische patiënten” zei ik, als vanzelfsprekend. Hij begon te lachen en zei dat mensen normaal een heel verhaal houden over dat het een van drie intensive care afdelingen in het ziekenhuis is en dat we nu op de afdeling waren waar de patiënten met neurologische aandoeningen liggen. Mijn korte en ter zake doende opmerking bracht hem daarom even van zijn à propos. Maar het beviel hem wel.

Het afgelopen jaar ben ik druk bezig geweest mijn appartement  naar mijn smaak in te richten en gaandeweg begint het steeds meer een plek te worden waar ik kan ontspannen en mezelf kan zijn. Ik woon onderhand wel in een soort spoorwegmuseum, maar het is mijn huis dus mijn regels. Daarnaast doe ik mijn best er voor te zorgen dat het ook een plek is waar Alex en Yelena het naar hun zin hebben en waar zij zich hopelijk thuis voelen. Nu delen ze een kleine slaapkamer maar ik hoop in de niet al te verre toekomst, grofweg binnen nu en twee jaar, iets te vinden waar ze ieder een eigen kamer hebben. Zeker nu Alex wat ouder wordt kan ik me voorstellen dat hij daar wel behoefte aan krijgt.

Ook sociaal gaat het de goede kant op. Ik begin meer en meer mensen te kennen. Vooral dankzij mijn werk. Met een aantal collega’s klikt het uitstekend. Zeker met het drietal waarmee ik op cursus ben geweest zitten we met een aantal dingen erg op de zelfde golflengte. "De vliegende Hollander" is onderhand mijn gangbare benaming geworden. Alhoewel er ook een verpleegster is die mij "De Zweed die geen Zweed is" noemt.

Grappig is ook te merken dat ik me nu ook ontspannen genoeg voel om mijn merkwaardige kant te laten zien op het werk. Toen we aan de koffie met gebak zaten voor het examen begon, sloeg mijn chef een stuk bakwerk af met de woorden “mijn lichaam is een tempel….” Ik stond op en nam een groot stuk bakwerk terwijl ik zei “Mijn lichaam is Berlijn in 1945, ik neem er nog eentje….” Met hoofdschuddend lachen tot gevolg.

En na enkele op niets uitlopende dates heb ik sinds augustus kennis aan een daadwerkelijke Deense deerne. We doen het rustig aan en kijken “hoe de dingen lopen”. Zeer toepasselijk betreft het een onderwijzeres Deens op een taalschool voor buitenlanders. Maar ik heb niets aan haar voor het verbeteren van mijn Deens. Want ten eerste vindt ze dat ik geweldig Deens spreek. En ten tweede vind ze mijn Nederlandse accent aandoenlijk. Nee, daar heb ik wat aan…

En natuurlijk zijn er vele, vele andere dingen die er voor gezorgd hebben dat 2016 geweldig is geweest. Ik heb een Nederlandse studievriend op bezoek gehad, ik heb op Eurospoor mede-modelspoorders die ik alleen online kende in real life ontmoet, de kinderen doen het ontzettend goed op alle vlakken, ik heb een goede verstandhouding met mijn ex (een regelrechte zeldzaamheid, als ik andere verhalen hoor) en met mijn ex-schoonfamilie, mijn ouders zijn weer op bezoek geweest en zo voort.

Dus samengevat: De grootste puinhopen zijn opgeruimd en ik heb alles weer redelijk op de rails. Het zou fijn zijn als 2017 een mooi vervolg gaat worden op het mooie 2016.

zaterdag 19 november 2016

En weer een week voorbij



Omdat een zeker iemand vond dat ik vaker de week van me af mocht schrijven, hierbij een verslagje van de afgelopen week. Want ook daar was weer genoeg te beleven.

Dat begon al op de maandag, waar ik me om acht uur ’s ochtends meldde in de centrale. Ik zat nog niet aan de koffie toen de wachtmeester al met een smekende blik op me af kwam. Of ik niet een dagje afval wilde doen, in plaats van een algemene wacht. Er was een foutje gemaakt, de roorstermaker had voor deze week niemand ingepland voor de afvalverwerking.

En aangezien ik de dienstbaarheid zelve ben, zei ik natuurlijk dat ik dat graag deed. Dus even mijn afvalhandschoenen uit mijn kledingkast gehaald en naar de kelder. Normaal staan daar drie ‘segways’ (kleine gemotoriseerde trekkers voor het slepen van de wagens waar afval op verzameld wordt op de diverse afdelingen), maar nu bleken ze alle drie spoorloos. Na een zoektocht van een half uur vond ik er eentje aan de andere kant van het ziekenhuis. Zonder sleutel. Een tweede werd afgeleverd door de bezorger van het linnengoed. De derde is nog steeds zoek….

Afval is een leuke onderbreking van het normale werk. Je komt letterlijk op elke afdeling en je mag het verzamelde afval lekker in de daarvoor bestemde comprimator dumpen. En er gaat toch iets zen-achtigs uit van kijken naar grote hopen vuilniszakken die worden samengeperst in een container. Ik heb zelfs een collega horen bekennen dat hij daar wel eens gestaan heeft en mijmerde hoe een menselijk lichaam dat geweld zou ondergaan. Ik ga sindsdien met een ruime boog om hem heen als hij afvaldienst heeft…..

Na een tweede afval dag op dinsdag, was het op de woensdag weer tijd voor een praktijkdag in het kader van mijn opleiding. Ditmaal de hartafdeling. Drie dagen meelopen en kennis en ervaring opdoen rond de behandeling van hartpatiënten. 

De eerste dag was op de poliklinische afdeling, waar patiënten ’s ochtends binnen komen, in de loop van de dag een onderzoek ondergaan en aan het eind van de dag weer naar huis gaan. Als bij dat onderzoek tenminste geen rare dingen worden gevonden. Gebeurt dat wel, dan wordt de patiënt opgenomen en gaat naar de hartafdeling. Ik heb twee onderzoeken bijgewoond. Een echografie van het hart en een onderzoek van de kransslagader (hartkatheterisatie). Ik zit daar bijna met open mond naar te kijken. De echografie geeft een mooi beeld van de diverse hartkamers, hartkleppen en hoe prachtig dat werkt. Bij een hartkatheterisatie wordt een katheter ingebracht via de rechter arm of de lies waarna de kransslagader gecontroleerd wordt op vernauwingen. Via een ct-scan krijg je dan een schitterend beeld van de aders die over het hart lopen. Wel een loodjas aan tegen de straling…

De andere twee dagen liep ik mee met het verplegend personeel op de afdeling zelf. Alwaar ik door een verpleegster ontvangen werd met de woorden “Ah, daar hebben we Zweed die geen Zweed is!”. Zij herinnerde zich mij omdat we een jaar geleden een keer samenwerkten waarbij ze dacht dat ik een Zweed was en ik haar corrigeerde. Sowieso is het grappig om te merken hoezeer het personeel me ondertussen al kent. Natuurlijk van gezicht omdat ik regelmatig op de diverse afdelingen ben, maar ook als “de Nederlander”.

Omdat ik geen verpleger ben, kon ik natuurlijk niet zelfstandig werken, maar helpen met verschonen, bedden opmaken, eten ronddelen en hand en spandiensten verrichten kon ik wel. Zo zat ik donderdagmorgen een bijna honderdjarige te helpen zijn ochtendpap te eten. Gevolgd door het op de wc helpen van een patiënt met enorm overgewicht.

Er zijn vierpersoonskamers en eenpersoons. Het toeval wilde dat er net die dag een lokale beroemdheid was opgenomen. Hij lag op een vierpersoonskamer. Nu hebben wij als personeel zwijgplicht. Wie het was en waarom deze persoon is opgenomen, daar mogen wij niks over zeggen. Maar patiënten hebben geen zwijgplicht. Dus zat een andere patiënt vrolijk te bellen met zijn familie om te vertellen wie er bij hem op de kamer lag… Die avond werd er al naar de afdeling gebeld door een nieuwsgierige journalist. Tot diens genoegen kreeg de bekende patiënt de volgende dag een eenpersoonskamer.

Op een andere kamer lag een oudere man met een hele reeks complicaties. Hoewel het personeel onverminderd positief bleef, zag je aan alles aan hem dat hij het opgegeven had. Zijn levensvonk was weg. Na twee jaar portørschap herken ik de tekenen wel. Het is echt alsof er iets gedoofd is in de ogen, lusteloos, ongeïnteresseerd en alleen nog bezig met het voorbereiden van de uitvaart. Zo iemand heeft geen zin meer en wacht alleen nog op het einde. 

Ik heb nog geassisteerd in het zuurstoftherapie, waarbij met een zuurstofmasker geprobeerd wordt het zuurstofgehalte van het bloed wat op te krikken. Het zuurstofgehalte wordt afgelezen door een apparaatje dat je om een vinger klemt. Dat kostte in dit geval nog aardig wat moeite omdat de vingers slecht doorbloed waren (koud). Uiteindelijk sliep deze patiënt donderdagavond stilletjes in.

Een van de dingen die ik volgens mijn opleidingsschema moest leren was de behandeling van een patiënt tijdens een hartstilstand. Beademing, medicatie, gebruik apparatuur. En dan loop je met een heel dubbel gevoel rond op die afdeling. Je weet dat de kans groot is dat iemand daar aan hartaanval krijgt. Aan de ene kant hoop je dat het gebeurt als je op de afdeling bent, aan de andere kant weet je dondersgoed dat het op zijn zachtst gezegd niet netjes is om te hopen dat iemand een hartaanval krijgt. Op de dagen dat ik er was gebeurde er niets. In mijn verslag schreef ik dan ook: “Mbt tot de dingen die ik moest leren in geval van een hartstilstand zijn deze punten mondeling doorgenomen omdat helaas/gelukkig niemand een hartstilstand kreeg”.

Over een maandje zit mijn opleiding er op. Voor mijn praktijkexamen loop ik nog mee op vier afdelingen: de bestralingsafdeling, twee andere intensieve afdelingen en de apoplexie afdeling (bloedprop of bloeding in de hersenen). Na mijn examen tenslotte volgt er een korte aanvullende cursus waarna ik twee dagen mee mag lopen op de psychiatrische afdeling. Dus vermoedelijk vast nog wat stof voor een volgend stukje waarin ik opnieuw de week van me afschrijf.

vrijdag 11 november 2016

Terug



Na het behalen van het theoretisch examen van de portørsopleiding en een ontspannen weekend met Indiaas eten en Doctor Strange (aanradertje, al was het alleen maar om het feit dat Interstellar Overdrive te horen is…), maakte ik afgelopen maandag weer mijn opwachting in de portørcentrale om weer eens flink actief te zijn. “En nu weer lekker aan het werk” schreef ik die ochtend op Facebook. Nou, dat heb ik geweten.

Na een drukke ronde op de intensive care, schoof ik om twaalf uur aan bij een presentatie van ons opgavesysteem. Een Belgisch ziekenhuis gaat het mogelijk ook gebruiken en wilde onze ervaringen graag horen en zien. Een maand eerder had ik de Deense powerpoint presentatie al in het Nederlands vertaald, bij de presentatie mocht ik actief tolken om de Belgen een zo compleet mogelijk verhaal te vertellen.

Na de presentatie leidde ik een van de Belgen rond in het ziekenhuis en liet ik zien hoe het opgavesysteem in de praktijk werkt, terwijl de betreffende Belg mij bestookte met vragen. En wat is dat Vlaams toch een prachtig taaltje. Het is niet voor niets dat Henk W. al zong dat dat taaltje zo zacht was. Alleen al het royaal gebruikte “allee” maakte dat ik af en toe een grijns van plezier moest onderdrukken.

De Belg was zeer onder de indruk en ik kreeg als dank twee flessen Bourgogne in mijn handen gedrukt. Mijn collega’s waren zeer geïntrigeerd en vroegen honderduit naar het verschil tussen Nederlands en Vlaams.

De drie daaropvolgende dagen liep ik in het kader van mijn opleiding mee op de operatieafdeling om daar alle ins en outs mee te krijgen. Hoogtepunt was het bijwonen van een operatie waarbij een deel van de longen van een patiënt werd verwijderd. Oorspronkelijk was het alleen de bedoeling dat ik, volgens het opleidingsplan, het inslapen en ontwaken van de patiënt door de anesthesioloog bij zou wonen maar toen ze vroeg of ik misschien ook de ingreep wilde zien, zei ik daar natuurlijk geen nee tegen…

Het OK-personeel wordt door een aantal portørs vrij negatief bekeken. Streng, kortaf, gehaast. Dat was al niet mijn persoonlijke ervaring, maar deze drie dagen op de OK hebben mijn positieve beeld alleen maar versterkt. En vooral heb ik veel begrip gekregen voor eventuele stress of wachttijd, gezien alle zaken die op de achtergrond mee spelen. Ik zie als portør alleen het begin (afleveren van een patiënt) of de afloop (ophalen van een patiënt), nu heb ik het hele verhaal beleefd.

De vrijdag stond in het teken van het mortuarium. Ik had een paar dagen ervoor al aan Pauline gemeld dat ik die dag in het mortuarium zou zijn. (Voor de lezers die geen familie of vrienden zijn: Pauline is mijn ex die als patholoog verbonden is aan het ziekenhuis in Aalborg). Donderdag kreeg ik van haar te horen dat er drie obducties zouden zijn en dat ik daar wat haar betrof welkom bij was om te zien hoe dat in zijn werk gaat.

Het hoofd van het mortuarium was het daar niet mee eens. In mijn werk als portør heb ik niet van doen met obducties, dus daar mocht geen opleidingstijd of arbeidstijd aan verspild worden. Dat moest ik maar op een vrije dag doen. Maar goed, mijn begeleider in het mortuarium regelde het zo dat ik toch twee keer een kijkje kon nemen.

Zo kon ik mijn ex voor het eerst in haar rol van patholoog zien. De eerste keer was een kort kijkje om de hoek van de obductieruimte, waar Pauline enthousiast op me af kwam om een kindje van ongeveer 14 weken te laten zien. De tweede keer kon ik over haar schouder mee kijken hoe ze een andere foetus van ongeveer de zelfde leeftijd obduceerde. Op twee manieren heel bijzonder. Ten eerste bijzonder om zo een klein kindje te zien, maar ook om Pauline duidelijk enthousiast te horen vertellen over wat er mis was aan het betreffende kindje. Nogmaals supertof dat ik dit kon zien, Pauline!

Na de weken opleiding in Herlev was het duidelijk merkbaar dat ik fysiek weinig actief ben geweest. Hele dagen op de been was weer even wennen. Maar de opleiding en de bijbehorende praktijkdagen in het ziekenhuis, en de lof die we niet alleen bij het examen kregen maar ook van onze leiding en collega’s, maakt dat ik alleen maar nog meer bevestigd zie dat ik een briljante baan heb. Nu nog even het praktijkexamen op 21 december. Maar dat moet geen problemen opleveren, afgaande op de feedback die ik krijg.

Zo, en nu een welverdiend glas whisky!

zondag 25 september 2016

Groenland



In mijn functie als portør heb ik regelmatig te maken met Groenlanders. Niet zo vreemd, het zijn immers “rijksgenoten”, maar daarnaast kent Aalborg procentueel het hoogste aantal Groenlandse inwoners in vergelijking met de andere Deense grote steden. De grootste kans om, aan alle Deense vooroordelen voldoende Groenlanders te vinden, is op het stationsplein. Daar zit een groep van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat te drinken.

Denen hebben een negatief beeld van Groenlanders, er leven opvallend veel vooroordelen en ze lijken een beetje gegeneerd als het om Groenlanders gaat. Dat Denemarken zelf een niet onbelangrijke rol (schreef hij met veel gevoel voor understatement) heeft gespeeld in het huidige welzijn van de Groenlanders…. Daarvan kijkt men liever weg.

Eerst maar eens een stukje geschiedenis. De eerste Europeanen die Groenland ontdekten waren Noren. Een groep van veertien schepen onder leiding van Erik de Rode bereikte Groenland in 986 en stichtte daar een eerste nederzetting. Zij waren afkomstig van het door Noorwegen overheerste IJsland en hun plan was een eigen, onafhankelijke nederzetting te stichten. Uiteindelijk kwam Groenland in de 13e eeuw toch onder Noors bestuur te staan. In de 15e eeuw verdwenen alle nederzettingen op Groenland, vermoedelijk als gevolg van een kleine ijstijd.

Na korte tijd geclaimd te zijn door Portugal, kwam Groenland in de 17e eeuw weer in handen van het verenigde Deens-Noorse koninkrijk en werd opnieuw begonnen met het koloniseren van Groenland. In 1814 werd de unie tussen Noorwegen en Denemarken opgeheven. Noorwegen werd deel van Zweden en Denemarken kreeg zeggenschap over Groenland. In 1931 heeft Noorwegen nog geprobeerd Groenland terug te krijgen door een bezettingsmacht aan land te zetten, maar het internationale gerechtshof bepaalde in 1931 dat de Noorse claims op Groenland ongegrond waren.

In 1946 probeerden de VS Groenland te kopen voor honderd miljoen dollar. De Deense regering had daar geen oren naar. In 1953 eindigde de status van kolonie voor Groenland en kregen de bewoners Deens staatsburgerschap. Er werd een actieve politiek  van assimilatie ingezet. Deens werd de officiële taal, Groenlandse kinderen werden (vaak gedwongen) naar Denemarken gestuurd om ze de Deense cultuur te leren en de Groenlandse cultuur te vergeten. Deze zwarte bladzijde in de Deense geschiedenis wordt over het algemeen volkomen genegeerd in Denemarken.

In 1979 kreeg Groenland zelfbestuur en sinds 1985 is het samen met de Færøer deel van het Deense gemenebest. In 2009 verkreeg Groenland vergaande zelfstandigheid, werd het Groenlands de officiële taal en werden de Groenlanders erkend als een apart volk. De bedoeling is dat Groenland na verloop van tijd volkomen zelfstandig wordt.

Denen kennen Groenlanders op dit moment vooral als de stereotype alcoholisten. Ik heb herhaaldelijk de term “grønlænderfuld” gehoord. Wat zoveel wil zeggen “Zo zat als een Groenlander”. En inderdaad zijn Groenlanders behoorlijk vertegenwoordigd in de statistieken als het gaat om alcoholisme en verslavingen. Hoewel er veel Groenlanders met een alcoholverslaving zijn, klopt het vooroordeel dat Groenlanders meer drinken dan Denen niet. Volgens de statistieken drinken Groenlanders gemiddeld 9,79 liter alcohol per jaar, Denen drinken 9,4 liter per jaar. Een minimaal verschil dus.

In mijn eerste jaar als portør had ik het genoegen voor het eerst een Groenlandse patient van de ene afdeling naar een andere te rijden. Toen ik me meldde, zuchtte de verpleegster hartgrondig “veel plezier…..”. Bij binnenkomst op de kamer lag er een op de verpleegsters mopperende Groenlandse in bed. Toen ik de afdeling met haar verliet verkondigde ze met een boosaardig genoegen dat ze alle blanke mensen haatte. Dat alle blanke mensen slecht waren en alleen maar uit waren op zoveel mogelijk geld en bezittingen. 

Voorzichtig wierp ik tegen dat dat misschien iets te generaliserend was. Dat er toch ook goede blanke mensen waren die het beste met anderen voor hadden. Waarna ik haar levensverhaal kreeg te horen. Uit haar familie weggerukt, naar Denemarken gestuurd om een echt Deens meisje te worden, Deens te leren en haar cultuur te vergeten. “Maar ik heb altijd geweigerd mijn wortels te vergeten, ik spreek nog steeds mijn moedertaal” zei ze met een grimmige voldoening.

Uiteindelijk scheidden onze wegen zich toch nog vrij positief. Ze gaf me gelijk dat misschien niet alle blanken zo slecht waren als ze in eerste instantie zei. En ze was blij met onze onderhoudende discussie. Dat gaf me een de ene kant een goed gevoel, dat ik een negatieve stemming heb kunnen omzetten in een positieve, maar aan de andere kant opende het wel mijn ogen. Het was de eerste keer dat ik geconfronteerd werd met het Deens-Groenlandse verleden, en vooral de negatieve gevolgen daar van.

Onder mijn collega’s wordt er nauwelijks over Groenlanders gespreken, en als het al gebeurt is het in negatieve stereotypen. De rol die Denemarken heeft gespeeld is niet of nauwelijks bekend. Of wordt niet interessant geacht. Anders dan “dat was vroeger”. Slechts een enkele collega heeft erkend dat Denemarken niet zo’n fraaie rol heeft gespeeld en dat veel van de huidige problemen van Groenlanders samenhangen met de Deense politiek van assimilering.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.