donderdag 5 mei 2016

Geurtjes



Werken in een ziekenhuis betekent behalve een zeer divers palet aan mensen en persoonlijkheden, ook een fraai en zeer divers geurenpalet. Van hemels tot hels en alles wat er tussen in ligt. Ik zal proberen eens wat geurtjes te beschrijven, maar eigenlijk moet je het zelf ruiken om te beseffen waar ik over praat.

Poep

Ik heb twee kinderen. En daardoor een ruime ervaring met poep in alle soorten en maten. Van de uitermate gecomprimeerde keutels die de zeer fijn afgestemde stofwisseling van Yelena opleverde, tot de vloeibare substantie die Alex onder luid intern gegorgel liet stromen als hij zich weer laveloos had gedronken aan de moedermelk.
Een ziekenhuis, en dan met name de intensive care, biedt een zo mogelijk nog breder spectrum. Vooral dankzij de sondevoeding die de patiënten krijgen. De geur die dat oplevert is uniek zal ik maar zeggen. Adembenemend. Maar ook ontlasting die vooral uit bloed bestaat heeft zijn typische zoetige, soms metalige geur. Of wat er aan ontlasting in een stoma komt, dat is op zijn zachtst gezegd ook vrij geurvol. Vaak ruik je het niet, maar als er ook een overdaad aan gas bij komt, dan moet er soms ontlucht worden. Het is me een keer gebeurd dat er een stoma ontlucht werd vlak voor ik een kamer op kwam. Ik heb toen even een stapje terug gedaan om mijn neus de kans te geven zich te herstellen van die olfactorische opdonder…
Het gebeurt vaak dat bij een patiënt die al een tijdje op zijn rug heeft gelegen en daarna op de zij komt te liggen, het darmproces in een versnelling komt. Dan is de verpleegster net klaar met verschonen en loopt de patiënt opnieuw leeg. En dan is het zaak dat je niet in de schutslinie staat.
Je krijgt er al snel een neus voor om te merken dat een patiënt behoefte heeft aan verschoning. Soms zelfs al voor de verpleegster het ruikt. Dan kom je op een kamer en terwijl je overlegt met de verpleegster wat er moet gebeuren, ruik je al vaaglijk iets. Als de verpleegster in de voorbereiding niets zegt over een eventuele verschoning, vraag je voor de zekerheid maar of ze ook nog even wil controleren of er ontlasting is. En in 9 van de 10 gevallen is het dan ook bingo…

Lichaamsgeuren

Zweet. Heel veel zweet. Het is opvallend zo slecht als de persoonlijke hygiëne van sommige mensen is. Vaak zijn het ouderen die zich in meer of mindere mate verwaarlozen op dat vlak. Op de afdelingen zelf worden ze vrijwel dagelijks gewassen, maar als ze net van thuis komen dan kan het soms wel even slikken zijn als je zo iemand van brancard naar bed moet verplaatsen. Omdat wij de bedden duwen aan het voeteneind als we rijden met patiënten, bevinden de voeten zich vrijwel direct onder de neus. Need I say more?
Toegegeven, als je meer dan 150 of 200 kilo weegt, dan kan het lastig zijn om je overal even goed schoon te maken. Maar de geuren die opstijgen als een verpleegster een huidplooi optilt om daar tussen schoon te maken, dat is onprettig. Dan snap je opeens de trip die Stimpy maakte toen hij teveel met zijn eigen navel speelde… (https://www.youtube.com/watch?v=z9QcDkRWOpE) En aangezien zo iemand echt omvangrijk is, zit je er letterlijk met je neus boven op…
Alcoholisten zijn het ergst op dat vlak. Logisch op zich, maar toch. Die zijn echt te vies om zonder handschoenen aan te pakken. Als er eentje is binnengebracht na om het even wat voor ongeval, dan ligt er doorgaans een stinkend, dronken, huilend iemand op een brancard, bedekt in bloed en viezigheid. Treurigheid ten top eigenlijk. Dus dan is het even de tanden op elkaar, handschoenen aan en indien nodig na afloop even een nieuw uniform halen.

Eten

Is het dan alleen maar kommer en kwel op geurgebied? Nou, nee, niet alleen maar. Rond etenstijd ruikt het heerlijk in het ziekenhuis, het eten ziet er lekker uit en smaakt (proefondervindelijk vastgesteld) ook uitstekend. Een deel van ons werk als portør is ook het afleveren van de diverse warmhoudwagens met eten op de diverse afdelingen en de geurtjes die daar uit komen doen iedereen, portørs en bezoekenden, altijd watertanden. Als het eten op de afdelingen staat uitgestald (patiënten halen zelf, tenzij bedlegerig) is het altijd even genieten van al het lekkers dat te zien en te ruiken is. Maar voor ons portørs geldt: alleen maar kijken. Eventjes een hapje meesnoepen mag niet, de hoeveelheden zijn aardig afgepast. En wat over is moet terug naar de keuken. Officieel kan het zelfs een ontslaggrond zijn, als je wat van dat eten snaait. Dus dan maar naar de centrale om daar mijn eigen bammetjes te nuttigen. Want de kantine is helaas vrij prijzig. Overigens ruikt het in de portørcentrale ook altijd erg lekker rond etenstijd. Want ja, Denen houden van veel en lekker eten.

Mortuarium

Het mortuarium heeft ook zijn eigen geur. Een beetje een zoetig, wee geurtje. Niet echt vies, maar ergens in je hersenen gaat een signaal af dat het niet helemaal ruikt zoals het hoort. Ik heb het een collega horen omschrijven als de geur van gebak. Of kaas. Ik heb maar niet gevraagd wat voor bakker die collega heeft. Of dat die bakker zijn bakwerk bakt in een crematoriumoven…
Mensen die dood in hun huis gevonden worden, worden afgeleverd bij het mortuarium. Overdag worden deze in ontvangst genomen door de medewerkers daar. ’s Avonds doen de portørs dat. Ik heb dat tot nu toe een paar keer mee gemaakt. Doorgaans is er weinig aan de hand, maar als iemand langere tijd dood in huis heeft gelegen, dan wordt het wat anders.
De eerste keer dat me dat overkwam was de overledene goed ingepakt in plastic. Er was wal iets te ruiken, maar dat de dood al langere tijd geleden was ingetreden was toch vooral af te leiden uit de flexibiliteit van het lichaam. Recent echter kreeg mijn neus echter iets meer te verwerken.
Aan het begin van een nachtwacht werd er opnieuw iemand afgeleverd. De ambulancebemanning stapte uit en gebaarde dat we het beste even een stapje achteruit konden doen. Ze deden de achterklep open en al na een seconde snapte ik waarom ook zij even opzij gingen staan. Adembenemend. Terwijl de ambulance stond te luchten vertelden ze dat het een man was die thuis was gevonden. Na een week of twee dood op zijn toilet gezeten te hebben. Met de vloerverwarming lekker hoog. De ambulancemedewerkers moesten een deel van het toilet uitbreken om hem te kunnen ‘bevrijden’. De arts die de overledene moest identificeren werd onpasselijk. En inderdaad, hoewel het lichaam was ingepakt in lakens en plastic was de geur overweldigend.
Een week later lag de overledene nog steeds in het mortuarium. Hoewel in de koeling, in een redelijk afgesloten deel van het mortuarium, begon de gang van ziekenhuis naar mortuarium ook steeds nadrukkelijker te ruiken. En op dat moment waren er nog geen nabestaanden achterhaald die het lichaam konden ophalen. Dus tot die tijd zal het nog wel even nadrukkelijk geuren daar…

maandag 2 mei 2016

Dating II



”En, hoe vond je het?” vroeg ik haar terwijl ik overeind kwam. Ze keek naar me op en zei met een lichte twijfel: “Nou.. ja… Het was interessant. Leuk. Ik had alleen het idee dat de barman wel erg naar ons stond te kijken….”

Ja, daar had ze zeker een punt. Hoewel ik haar meteen geruststelde dat dat vast niet het geval was, wist ik helaas maar al te goed dat ze gelijk had. Namelijk bij binnenkomst in het etablissement gaf de waard mij reeds een grote grijns der herkenning. Misschien toch maar weer een andere locatie uit gaan zoeken voor koffie-dates.

Voor al diegenen die nu watertandend hopen te beginnen aan een verhaal vol liederlijkheden en vunzigheid waarmee ik mijn schaarse vrije tijd (en andere zaken, bwahahahaha!) vul deze dagen: sorry, u komt bedrogen uit. Voor dit soort literatuur verwijs ik graag naar boekwerken als “Ik en mijn broer”, “vijftig tinten grijs” of de verzamelde werken van J. Wolkers. Geen scorelijst met wie ik tussen de lakens ben beland.

Dating deel twee dus. Het is ongeveer een jaar geleden sinds ik er voor het laatst iets over schreef en ik zit er nu midden in. Geroutineerd gebruik ik de ene app op mijn telefoon na de andere. Ik switch van Tinder naar Happn naar Badoo. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat eigenlijk alleen Tinder nog wel eens concreet resultaat in de vorm van dates oplevert, maar op een deel van de apps kan ik ook terug zien welke verpleegsters er single zijn. Verpleegsters zijn leuk om naar te kijken, het is soms net een snoepwinkel. Overigens geweldig dat iedereen een pasje met zijn/haar naam draagt. Bij een interessant persoon altijd even de naam onthouden en in de pauze checken op Facebook…

Een week of wat geleden was ik met een collega op ronde geweest op de intensive care. Toen we bij de lift stonden te wachten werd er een groep verpleegsters rondgeleid. Eentje was wel erg aantrekkelijk en met haar had ik ook enig oogcontact. Nouja, enig... Mijn collega zegt opeens “Zo, Eelco, nu je mond weer dicht als je naar die blonde kijkt…” en natuurlijk kwam er juist op dat moment nog een andere collega langs. “Eelco is verliefd…” lachte de collega die me betrapte. De tweede kijkt even naar het groepje en zegt “Ah, die blonde zeker….” Ik heb haar helaas niet meer terug gezien.

Verbazingwekkend genoeg kennen mijn dates een bovengemiddeld internationaal karakter. Er zijn maar weinig Deense dames die een date met mij aandurven blijkbaar. Er zijn er wel een paar geweest, maar ik kan onderhand ook al een aantal interessante nationaliteiten afstrepen. Thais, Filippijns, Argentijns, Frans, Grieks… Maar degene die de benen onder mij wegveegt, zoals hier de uitdrukking luidt, ben ik helaas nog niet tegen gekomen.

Wel een ruime variëteit aan types. Ik heb iemand tijdens een date laten uithuilen op mijn schouder omdat ze haar familie en vrienden in haar thuisland zo vreselijk miste. Haar maniakale opgewektheid werd even later verklaard door haar bekentenis dat ze al een paar biertjes op had die middag. Dan was er die ene die wilde weten of ik het erg zou vinden als ze er naast mij nog enkele andere partners op na zou houden. Mijn antwoord dat ik serieel monogaam ben, verbaasde haar hooglijk. Degene die alleen maar over haar ex praatte, hoezeer ze hem haatte en hoe graag ze hem terug wilde, heb ik vriendelijk afgewimpeld toen ze een vervolgdate voorstelde…

Nu ga ik er van uit dat ik in geval van een nieuwe relatie ook een of twee ‘bonuskinderen’ meekrijg in het pakket. Maar zodra een van mijn schaarse Deense dates begon te vertellen over haar dyslectische ADHD-dochter met gluten-allergie, had ik wel even de neiging om onder het mom van ‘even naar het toilet’ door de keuken het pand te verlaten… Dames zonder kinderen maar met een kinderwens date ik dan weer niet, nu sta ik op het standpunt dat twee kinderen genoeg is. Maar ik wacht nog wel even met een zekere ingreep. Je weet immers maar nooit wie of wat de toekomst brengt.

Een date heeft niet geresulteerd in iets relationeels, maar wel in het begin van een vriendschap. Wederom een buitenlandse dame, zeer kunstzinnig en een zeer intelligente (zij het wat verknipte) gesprekspartner. Maar dat verknipte is misschien inherent aan het kunstenaarschap. De vraag is hoelang zij nog in Aalborg woont, immers is dit toch een beetje prutjepolder in Denemarken. Een lonkende doorbraak als kunstenaar is toch beter te bereiken in de grootstad Kopenhagen. Maar tot die tijd zullen we ons zonder twijfel vermaken met kunst en cultuur.

Dus, geen sappige en spannende details. Het enige spannende wat ik kan melden is dat ik wel iemand ben tegen gekomen (buiten het datingwereldje) die ik heel erg leuk vind. En het is niet de kunstenares. Ik ga vanwege herkenbaarheid verder helemaal niks zeggen. Zie het maar als goedmakertje voor het schrijnende gebrek aan copulatieve details. Het klikt erg goed en we kunnen het prima met elkaar vinden. Maar  tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, zoals we in goed Nederlands zeggen. Niet dat het onwettig is maar er zijn wel enige hindernissen. Het zou leuk zijn als die mettertijd overwonnen kunnen worden, maar tot die tijd vermaak ik mij in het wondere wereldje dat dating heet.

maandag 25 januari 2016

Fiets



Als Nederlander ben ik gewend te fietsen. Boodschappen, werk, voor de lol een eindje peddelen. Doodnormaal. Alleen heb ik het idee dat Aalborg maar met moeite kan wennen aan mijn Nederlandse manier van rijden. Ik vertel mijn Deense collega’s altijd dat ik niet alleen mijn Nederlandse fiets heb meegenomen, maar ook mijn Nederlandse fietsmentaliteit. Assertiviteit is troef. Stoplichten zijn facultatief, voorrang is het recht van de snelste, de bel wordt alleen in werkelijke noodgevallen gebruikt. Zo begeef ik mij aldus met mijn Utrechtse studentikoze souplesse door het grootstedelijk verkeer. 

En op de een of andere manier lijk ik daar mee een lokale bezienswaardigheid te worden. Het begon al vrij snel na de emigratie toen ik van en naar het kinderdagverblijf fietste met een kind voor en een kind achter op de fiets. En twee zijtassen met boodschappen. Blikken van voorbijgangers varieerden van geamuseerd tot verbaasd. Met als hoogtepunt het nagefloten worden vanaf een steiger door drie vrouwelijke huisschilders (overigens een typisch vrouwelijk beroep hier). 

Tegenwoordig kunnen zowel Alex als Yelena zelf peddelen. Allebei een helmpje op (Papa, waarom heb jij geen helm? Mama heeft er wel een, en wij ook…. Ja, jongens, papa is eigenwijs. Oh. Wat is eigenwijs?) En als ik nu met ze fiets ben ik nog net wat voorzichtiger in het verkeer. Die twee zijn aanzienlijk meer waard dan ik en dienen de regels netjes te leren voor ze die later weer overboord mikken. Dus als ik met het grut fiets, is datmet Yelena naast me en Alex voor of achter. Afhankelijk van de drukte. En van zijn geduld. Want het gebeurt toch vrij regelmatig dat hij Yelena en mij links inhaalt. Over de stoep.

Wanneer ik dan zo op een tochtje met de kinderen naar het centrum ben geweest, hoor ik op mijn werk bijna altijd wel iemand zeggen: “ik zag jou gisteren door de stad fietsen. Met je kinderen… Knap hoor… Dat zou ik nooit durven met mijn kinderen…” Ik probeer ze dan uit te leggen dat Nederlanders op dat vlak misschien wat makkelijker zijn en kinderen wellicht sneller zelf laten fietsen om al dat gewicht weer van hun eigen fiets kwijt te zijn. Maar ja, Denen doen bijna alles met de auto als het om kinderen gaat, dus dat komt niet helemaal aan.

Gelukkig is Denemarken behoorlijk ingesteld op fietsverkeer. Vrij liggende fietspaden zijn een aardige standaard. Nog niet zo veel als in Nederland, maar het komt. Denen fietsen zelf ook veel. Al vluchten ze bij de minste regen of sneeuwbui onmiddellijk weer in de auto. Dat dan weer wel.
Maar wat redelijk in tegenspraak lijkt met het breed geaccepteerde fietsen hier, is dat de fietspaden en wegen bezaaid zijn met glasscherven. Het is in de weekenden spitsroeden fietsen van en naar mijn werk omdat het uitgaanspubliek geen groter genoegen lijkt te kennen dan het stukgooien van flessen op de weg. Zeker na een groot evenement sla ik altijd toch even een kruisje voor ik begin te rijden. En niet alleen in het centrum, ook in de wat bedaagdere woonwijken is er altijd wel een stuk gesmeten fles te vinden.

De fietsenmakers hier doen dan ook goede zaken. Want zelf banden plakken, daar lijken de Denen ook niet aan te doen. De handige setjes Simson bandenplak die elke Nederlander vanaf zijn eerste rijwiel bij zich lijkt te dragen, zijn hier maar zelden te vinden. En toen ik mijn fietsenmaker vroeg om bandenlichters, keek hij me aan of ik hem een oneerbaar voorstel deed. Gelukkig kon ik een setje regelen via mijn Nederlandse connecties. 

Dus nu ga ik de fietsenkelder maar weer in met enig effectief gereedschap om een platte achterband te verleiden weer hard te worden…

zondag 20 december 2015

Een jaar portør

Zo. Mijn eerste jaar als portør zit er op. En toepasselijk begon en sloot het jaar vrijwel met de zelfde patiënt. In de eerste weken lag er een patiënt op de intensive care die ik regelmatig zag op mijn rondes daar. Kon niks meer, lag op bed aan allerhande apparatuur en een enorme collectie drains, sondes, enzovoort.

Een paar maanden later ging het beter en kwam ze op een algemene afdeling terecht. De laatste keer dat ik haar zag, vertelde ze trots dat ze bij de fysio al weer drie treden op een trap kon lopen. Tot ik haar afgelopen week weer tegenkwam. Zelfstandig lopend met een rollator, opgewekt en blij om mij ook weer te zien. Ze moest iets na laten kijken en werd daarom een nachtje opgenomen. Maar fantastisch om iemand zo hard te zien knokken om van een soort kasplantje weer op eigen benen te komen staan. Daar heb ik diep respect voor.
Zij beschrijft eigenlijk alles wat ik heb meegemaakt in het afgelopen jaar. Van eenvoudige transporten van afdeling A naar B met een patiënt tot intensief contact met patiënten op de intensive care. Letterlijk geen dag is het zelfde geweest het afgelopen jaar. Elke dag nieuwe mensen, nieuwe situaties en gebeurtenissen. Ik ben nog geen dag met tegenzin naar mijn werk gegaan.
Ik heb leuke dingen meegemaakt, indrukwekkende, trieste of ronduit gruwelijke dingen. Een kankerpatiënt die slecht nieuws heeft gekregen, een bejaarde die door een auto is doodgereden, een kind dat het hilarisch vond om met bed en al rondgereden te worden, een licht demente bejaarde die zich bezorgd maakt om mijn toenemende kaalheid en een verlegen lachende twintigjarige met het syndroom van Down die alle portørs zo vreselijk knap vond.

Bijnamen
In een van mijn eerste columns over mijn werk als portør vroeg ik me af of en wanneer ik een bijnaam zou krijgen. Nou, een echte bijnaam heb ik nog niet, maar een gangbare benaming voor mij is “den flyvende hollænder” (de vliegende Hollander). Een andere collega noemt mij “narkobaron” (drugsbaron, vanwege uiteraard mijn Nederlander zijn…). Ik had het slechter kunnen treffen. Ik had ook ‘Piep’ of ‘de Kromme’ kunnen heten. Die laatste heet niet zo omdat hij een kromme rug heeft (wat ik aanvankelijk dacht) maar het feit dat hij zijn verhalen altijd onderstreept met een gekromde wijsvinger…

Echter. Afgelopen zomer op brandweercursus hebben we ook enig onderricht gekregen in collegialiteit. En daar werd met zoveel woorden gezegd dat bijnamen eigenlijk niet kunnen, omdat ze vaak negatief bedoeld zijn. Ik snap de achterliggende gedachte wel, en ik merk ook dat het gebruik van bijnamen afneemt.  Maar persoonlijk heb ik er weinig moeite mee als ze me niet kwetsen.

Sociaal
Wat voor mij een hele interessante en goede ontwikkeling is, is dat ik als binnenvetter annex introvert nu dagelijks gedwongen ben direct contact te maken met mensen, small talk te hebben en me vooral heel open op te stellen. Als ik mezelf nu vergelijk met een jaar geleden, is dat een wereld van verschil. Portør Eelco draait er zijn hand niet meer voor om. In elk geval niet op het werk. Maar ik kan nog altijd met een soort mix van bewondering en jaloezie kijken naar hoe makkelijk sommige van mijn collega’s kletspraatjes over van alles en nog wat weten te maken.

Het scheelt een boel dat ik over mijn onzekerheid qua Deens spreken heen ben. Ik maak gerust nog fouten, ik spreek het nog niet 100% correct en ik heb een accent. Hoewel dat laatste doorgaans vooral als charmant wordt beschouwd. Maar de mogelijkheid nu dagelijks Deens te spreken heeft er voor gezorgd dat ik op dat vlak met sprongen vooruit ben gegaan. Gelukkig zijn mijn collega’s altijd bereid me te corrigeren als ik een foutje maak. Of als ik alleen mosterd op mijn hotdog doe, in plaats van mosterd, ketchup, remoulade, gebakken uitjes en augurk. Maar dat terzijde.

Dood
De dood komt in vele facetten, heb ik het afgelopen jaar geleerd. Het hoort bij het leven. Maar echt wennen doet het niet. Ik heb jarenlang een soort angst gehad voor dode mensen, althans dat dacht ik. Maar na de vele doden die ik nu gezien en aangeraakt heb, heb ik ook geleerd dat het vooral het verdriet er om heen is dat me raakt, of het nu familie is of wildvreemden. Ik heb geen enkel probleem met helpen bij het wassen van een pas overleden persoon, iemand in de koeling leggen, dat soort dingen. Maar zodra er gevoelens om de hoek komen kijken, wordt het heel anders.

Opnieuw een sprongetje terug naar de cursus van afgelopen zomer. Rollenspel. In een groepje van zes kregen twee een opdracht als portør en de overige vier moesten bekijken en commentaar geven. De situatie: een overleden kind van een jaar of zes en een moeder die aan het doodsbed in het ziekenhuis zat. Een CPR-pop was het kind, de moeder werd gespeeld door een actrice. In de voorbereiding niks aan de hand. Het is een rollenspel. Maar zodra bij de actrice een knop omging voor haar rol als rouwende moeder, zo ging er bij mij ook een knop om. Toen werd het opeens heel aangrijpend.
De eerste keer dat ik een verpleegster hielp met verplaatsen van een dode van een intensive care bed naar een gewoon bed, begon ik gewoonte getrouw de ‘patient’ aan te spreken. Vertellen wat we gingen doen… Tot ik me besefte dat de patient een dode was, die wel warm aanvoelde maar niets meer had aan mijn goedbedoelde aanwijzingen.

Hartmassage
Een aantal keer heb ik ook geschreven over mijn ervaringen op het gebied van hartmassage. Dat blijft elke keer een belevenis. Je hebt geen idee wat je aantreft als je de zaal betreedt waar de patient ligt. Vaak maak je meteen deel uit van een zeer goed geoliede machine. Personeel communiceert goed en werkt goed samen, duidelijke status updates en goed overleg als er besloten moet worden of we doorgaan of stoppen met de behandeling. In die gevallen wordt er ook aan ons portørs naar onze input gevraagd maar uiteindelijk is het de arts die beslist. Soms is het een duidelijke zaak, soms is ook twijfel te zien. Hetzij bij verplegend personeel, hetzij bij de arts.

Een haperende communicatie heb ik ook meegemaakt. Geen enkele achtergrond bij de patient, een arts met kennis van de patient die opeens weg is en niet te vinden is, geen medisch dossier voor handen. Dan merk je absoluut heel snel de frustratie bij de diverse personen op de zaal.
De hartstilstanden die me zijn bijgebleven zijn die waarbij de aanwezige artsen ook onze inzet als portør bevestigden. Door regelmatig aan te geven dat we goed bezig waren, of zelfs te zeggen dat wij als portørs de belangrijkste mensen ter plekke waren omdat wij de patient ‘op gang’ moesten houden. Dat geeft een kick.

Een keer heb ik een paar verpleegsters aan de kant moeten duwen om massage te geven. Ik was de eerste ter plekke en zag drie verpleegsters rond een bed die geen idee hadden van wat ze moesten doen en een halfslachtige massage afwisselden met paniekerige uitroepen naar elkaar. Dan denk je niet na, maar neem je over. Toen er daarna collega’s van me binnen kwamen in isolatie-dracht (mondkapje, schort voor), bleek het een patient te zijn die mogelijk NORO-virus had. Godzijdank had ik handschoenen aan toen de patient tijdens de massage overgaf over mijn handen…

Toekomstmuziek
En dan natuurlijk de toekomst. De recente bezuinigingsronde heb ik overleefd. Dus dat is mooi. Ik ben me terdege bewust van het feit dat ik in een beroep zit dat erg gevoelig is voor economische tegenslag en bezuinigingen, en daarmee dat mijn werkzekerheid helaas niet zo groot is als die van bijvoorbeeld een arts. Dus is ontwikkelen het devies, opleidingen waar mogelijk in combinatie met mijn werk. Dit jaar begin ik aan mijn opleiding als portør, hoewel het nog geen echte officiële opleiding is. Meer een interne opleiding die deels plaats vindt in Aarhus.

Maar het is wel duidelijk dat ik graag iets blijf doen met direct menselijk contact. Ik vind het leuk om rondes te doen op de intensive care of om samen te werken met een fysiotherapeut. Afgelopen week kwam het gesprek op een baan als verpleger op de intensive care. Daar is wel een vierjarige opleiding (voltijd, niet te combineren met een baan als portør) als verpleegkundige voor nodig, en dan nog eens twee jaar werkervaring. Dus dat gaat tijd kosten. Dan kan ik net zo goed ‘gewoon’ geneeskunde studeren, alhoewel ik dan pas na mijn vijftigste daadwerkelijk arts kan zijn.

Nouja, dat is verder koffiedik kijken. De komende jaren hoop ik vooral nog gewoon portør te kunnen zijn en misschien via een intern weggetje nog wat extra’s te kunnen toevoegen aan mijn werk.

zondag 29 november 2015

Utrecht (2)



Ongeveer een jaar geleden schreef ik over mijn bezoek aan Utrecht. Hoe de stad veranderd was, hoe ik door een stad zwierf waar ik de weg nog wel kende maar waarvan het uiterlijk enorm veranderd was. Afgelopen weekend was ik er weer. Om te dineren met vrienden en om Utrecht weer tot ‘mijn’ stad te maken.

Sinds augustus 1996 kom ik in Utrecht, toen begon ik aan de opleiding journalistiek. Zo uit mijn hoofd heb ik er, met een enkele korte onderbreking, gewoond sinds 1998. De jaren voor mijn echtscheiding is het vooral ‘onze’ stad geweest, de stad waar ik mijn ex leerde kennen, waar mijn kinderen geboren zijn. Waar wij samen waren.

Het is een raar besef door Utrecht te lopen en alle veranderingen te zien, zonder iemand aan mijn zijde te hebben tegen wie ik kan zeggen “Weet je nog hoe het uitzicht van het Ledig Erf was, tien jaar geleden” of “Parbleu, nog even en de Catharijnesingel is weer helemaal terug!” Want als je nog maar zelden in je stadsjie komt, zijn de veranderingen natuurlijk veel merkbaarder dan voor je vrienden die er nog wonen.

Maar nu ik weer single ben probeer ik ook mijn Utrecht van voor die tijd weer terug te halen.

De stad waar ik doorheen zwierf als ik voor de vierde avond/nacht op rij met de studievereniging in onze stamkroeg had doorgezakt. De stad waar ik verliefd werd op een lieve eerstejaars geschiedenis met wie ik nachtelijke wandelingen langs de singels maakte. De stad waar ik uren kon doorbrengen in de verschillende tweedehands boekwinkels, platenzaken en waar ik sigaren kocht bij De Oude Tijd op het Janskerkhof.

De stad waar ik voor het eerst geblowd heb met een vriend, waar ik voor het eerst Koninginnenacht gevierd heb, waar ik vrienden heb leren kennen die ik nog steeds zie en spreek. De stad die wordt gedomineerd door die befaamde toren, waarvan je hartsjie toch altijd openspringt als je ‘m weer ziet. De stad waar ik bij Tivoli nog eens het slachtoffer van zinloos geweld geworden ben, de stad van Mick o’Connels, De Gasterij en Broadway. De stad waar ik een wijze uit het oosten ontmoette, een soulmate.

Maar het is natuurlijk niet alleen het terugvinden van mijn Utrecht van toen, het is ook het ontdekken van mijn Utrecht van nu. Mijn nieuwe Utrecht. 

Stad van hippe eetgelegenheden, bijzondere winkeltjes, studenten, jonge ouders, levensgenieters. De stad die ik afgelopen zomer heb bezocht met mijn kinderen en die ik in de toekomst nog vaker zal bezoeken met ze. De stad die ik hopelijk mettertijd kom te bezoeken met een nieuwe partner. Ik kijk uit naar het schrijven van dit nieuwe hoofdstuk.

Ja, ik denk dat het wel goed komt met Utrecht en mij. Utrecht is mijn oude jas, zit vertrouwd zodra ik ‘m weer aan heb en ontvangt me nog steeds met open armen. Utereg me stadsjie!

https://www.youtube.com/watch?v=l2PmLKXir9Y