zaterdag 5 mei 2018

Over specerijen


Denemarken is, ik heb er vaker over geschreven, een land dat aan elkaar hangt van tradities. En als er nog geen traditie is bedacht voor een bepaalde gelegenheid dan wordt die ter plekke verzonnen heb ik geleerd. Twee belangrijke Deense tradities behelzen royaal gebruik van specerijen, te weten peper en kaneel.

Als een Deen dertig jaar wordt en nog niet is getrouwd, wordt hij of zij door vrienden mee naar buiten genomen en vastgebonden aan een paal of boom. Daarna krijgt de jarige een emmer water over zich heen en wordt er wat peper over hem/haar heen gestrooid. Waarmee hij een “pebersvend” (pepergezel) of zij een “pebermø” (pepermaagd) is. Deze traditie komt uit de dagen van de Hanze, waar kooplieden in specerijen gezellen hadden. Deze gezellen woonden bij de koopman in en dienden ongetrouwd te blijven. Vandaar de naam “pebersvend”. Gaandeweg heeft de Deense liefde voor tradities er voor gezorgd dat het vieren van de dertig jaar onderstreept wordt met een peperdouche.

Nu schreef ik eerder “wordt er wat peper over hem/haar heen gestrooid”. Dat is een understatement. Daar begon het mee toen peper duur was. Nu wordt er regelmatig een pond peper of meer over de jarige uitgestrooid. Hoewel “gedumpt” een beter woord is. Zoek maar eens op “pebersvend” op YouTube. Filmpjes van jarigen die, vastgebonden (maar wel met duikbril/gasmasker/etc. om de ogen te beschermen) zijn lot ondergaat. Voorheen werden er zakjes peper gebruikt maar ik heb filmpjes gezien waarbij bladblazers, ventilatoren en andere verstuivende voorwerpen werden aangewend om de jarige een intens peperbad te geven.

Een jaar of tien, twintig geleden waren er een aantal Denen die vonden dat het wachten op een dertigste verjaardag wel erg lang duurde. En daarmee werd de “kanelsvend”/”kanelmø” geboren. Feitelijk het zelfde, maar met kaneel in plaats van peper en op de vijfentwintigste verjaardag in plaats van de dertigste. Het ritueel is het zelfde. En als je een beetje oplet in Deense steden (vooral in Jylland waar de traditie populairder is dan op Sjælland) dan zie (of ruik) je vaak de resten van een dergelijk ritueel. Bruin stof op de stoep bij een boom of lantaarpaal. En een doordringende kaneellucht.

Afgelopen week had ik het genoegen deze traditie in de praktijk gebracht te zien worden. Vanuit mijn keukenraam zag ik hoe een vriendenschare om een jongedame heen stond die net een emmer water over zich heen had gekregen. Een van de vrienden pakte, geloof het of niet, een poederblusser. Die niet gevuld was met brandbluspoeder, maar met kaneel…. Het meisje verdween in een massieve bruine wolk onder luid gejuich van haar vrienden. Zie foto:


Op het moment dat de poederblusser leeg was dacht ik dat het ritueel wel voorbij was. Maar nee. Uit een plastic tas werden drie pondspakken kaneel gevist die door de overige aanwezigen ook nog even over de jarige werden uitgestort. Het ziet er op de foto’s een beetje uit als een heks die op de brandstapel is beland… 



Het fijne kaneelpoeder waait alle kanten op. De vuilcontainer en geparkeerde auto’s zaten onder een dun laagje kaneel. Daarna kreeg de jarige gelegenheid zich weer toonbaar te maken. De kers op de taart kwam ’s avonds overigens. Een boze SMS van de woningbouw. Dat alle kaneel op de stoep per omgaande opgeruimd diende te worden….

En zo zou ik nog wel uren door kunnen gaan, aangaande Deense tradities. Alex en Yelena krijgen met de eerste tradities te maken als ze achttien worden. Dan worden ze namelijk geacht achttien shots te drinken. Goede vrienden (of vader/moeder) zorgen er doorgaans voor dat niet alle shots alcohol bevatten. Maar toch. Dan liever een berg kaneel…

maandag 8 januari 2018

Tradities



Nieuw jaar, nieuwe column. En wel over alle tradities die ik de afgelopen periode heb meegemaakt. Want de afgelopen kerst is de eerste echte Deense kerst die ik mee heb mogen maken. Mogelijk gemaakt dankzij het feit dat ik een relatie heb gekregen met een Deense. En hoewel ze mij in de weken voorafgaand aan kerst geprobeerd heeft uit te leggen wat kerst nu eigenlijk is in Denemarken, heb ik toch geregeld met een vragende blik om me heen zitten kijken. Want kerst, dat zijn tradities. En tradities, daar wordt niet aan getornd!

Het begon allemaal met de Nederlandse traditie die Sinterklaas heet. Als ik Denen vertel dat Nederlanders eind november, begin december massaal hun schoen bij de verwarming zetten, liedjes zingen en dan de volgende ochtend snoep in hun schoen vinden, bezorgd door een man op een wit paard dat over de daken rijdt…. Dat vindt men toch wel heel apart. Maar Johanne hoorde ik niet klagen toen ook zij een chocoladeletter kreeg.

Dan nu ‘juleaften’, kerstavond. Voor mij een weinig speciale dag. Toen mijn ex en ik nog in Nederland woonden, togen wij met haar ouders ter kerke op kerstavond om bij thuiskomst en snee kerststol met boter te nuttigen. Maar daar hielden de tradities qua kerst ook wel mee op. Toen ik klein was lag er een enkel cadeautje onder de boom, een boek. En eten? Kerst is lekker eten, eten waar je zin in hebt. Weinig traditioneel. Hoe anders is dat in Denemarken.

Bij aankomst in Sæby aan het begin van de middag van de 24e december, konden Johanne en ik direct aanschuiven aan de keukentafel. De voorbereidingen voor de lunch waren in volle gang. Haring, roggebrood, vlees, verse worst en aardappels stonden klaar. De groene kool werd gesmoord in een pak boter en een halve liter room, alle toebehoren werden op tafel gezet. De snaps werd ingeschonken. En daar begon de Deense kerst.

Na deze uitgebreide lunch verplaatste het gezelschap zich naar de woonkamer voor wat tussendoortjes terwijl de gastvrouw wederom de keuken in dook om het avondeten klaar te maken. Vooraf rijstepap met één hele amandel er in. Degene die de amandel vindt, krijgt het bijbehorende “amandelcadeautje”. Helaas ging die prijs aan mij voorbij. Daarna volgde eend met rode kool, gewone aardappels met saus en gebruinde aardappels (gecaramelliseerd, erg lekker). Tot slot dessert. Stukjes sinaasappel met slagroom en koekkruimels. En om zeker te zijn dat iedereen vol genoeg was, kwamen er nog koffie met arretjescake en een grote schaal chocolade en snoep op tafel.

Tijd om uit te buiken was er niet want daar werd de volledig opgetuigde kerstboom naar het midden van de kamer gesleept, de echte kaarsjes werden aangestoken, een doos liedboekjes kwam op tafel en daar nam het “dansen om de kerstboom” zijn aanvang. Men loopt al zingende om de boom. Per liedje afwisselend linksom en rechtsom. Het geheel wordt afgesloten met het lied “nu er det juli gen” (het is weer kerst) en begeeft het gezelschap zich in polonaise door het hele huis. Daarna komen eindelijk de cadeautjes.

Als cadeautje voor Johanne kocht ik een houten aap van Kaj Bojesen, een Deens stijlicoon. Elk Deens interieur hoort er eentje te hebben. Het was een schot in de roos en de gehele schoonfamilie was het er over eens dat het een prachtig cadeau was. 



Van Johanne kreeg ik Lego. En niet zomaar Lego, maar the Yellow Submarine plus Beatles in Lego:




Eerste kerstdag vierde ik alleen met Alex en Yelena, tweede kerstdag zou weer met de familie van Johanne zijn, maar omdat zij ziek werd bleven we thuis. Het rijke traditieleven zette zich op Oudejaarsavond voort. Ik bakte oliebollen thuis en nam een deel mee naar (opnieuw) Johanne’s familie. Die er erg over te spreken waren. Om 18.00 stipt kijkt iedereen (wij dus ook) naar de toespraak van de koningin. Pas daarna schuift men aan voor de avonddis. Na het kijken van “De 90e verjaardag” werd om 00.00 uur de champagne geopend en gedronken. Met kransekage er bij. Een soort bakwerk met veel marsepein. De traditie schrijft voor dat na middernacht nog een rejemad gegeten wordt (brood met garnalen), maar omdat ik Nieuwjaarsdag om 7.00 moest beginnen togen Johanne en ik een kwartier na middernacht weer naar huis.


En nog was het niet uit met de tradities want nu was het opnieuw mijn beurt. 1 januari staat in mijn familie in het teken van stamppot zoute snijbonen met worst. Al 160 jaar wordt dit in de familie gegeten op die dag, dat zou namelijk geluk brengen voor het komende jaar. En gelukkig vond Johanne het ook lekker!

Nu is het bijna gedaan met alle tradities. De laatste traditie die nog op stapel staat is het vieren van Sint Tempestas aanstaande zondag. Een traditie die mijn familie uitgebreid viert met lekker eten, offergaves in baar geld en voorwerpen en een dag vol algeheel gejubel. Deze traditie vieren we nu al bijna 41 jaar en wordt wat mij betreft nog vele jaren voortgezet!

maandag 9 oktober 2017

tatoeages



Voor mijn gevoel kent Denemarken een absurde tatoeage dichtheid. Vrijwel al mijn collega’s hebben tatoeages en de meerderheid van de patiënten waar ik mee te maken heb heeft ze ook. Variërend van een subtiele, kleine tot van boven tot onder vol getatoeëerde lichamen. Van tatoeages die gemaakt zijn door kunstenaars, tot keukentafeltatoeages.

De tatoeage boven de bilspleet die in Nederland wel bekend staat als het aarsgewei, wordt in Denemarken het “Randers gewei” genoemd. Omdat Randers voor Denen de ultieme platvloerse stad is. Van dergelijke tatoeages heb ik diverse varianten voorbij zien komen.

Onderhand ben ik dus redelijk gewend geraakt aan allerhande tatoeages, dus ik kijk niet vreemd meer op als ik een patiënt moet vervoeren die van boven tot onder getatoeëerd is. Als er gelegenheid is, kijk ik wel eens naar wat het precies voor tekeningen en teksten zijn. Dat zegt af en toe wel wat over de persoon. Helaas niet altijd ten positieve. Er is een keer geweest dat ik een patiënt in een rolstoel ophaalde. Normaal maak ik wel een praatje met mensen, maar bij het vastpakken van de handvatten, zag ik een reuzegroot hakenkruis in de nek getatoeëerd. De zin tot small talk verging me direct. Helaas heb ik dat soort tatoeages vaker gezien. Hakenkruizen, SS runen, adelaars, je kunt het zo gek niet bedenken.

In 2000 ben ik in Alkmaar een tatoeageshop binnen gestapt, maakte een snelle keuze uit de map standaard tribal tattoos, betaalde vijftig gulden aan en was vervolgens te bescheten om op te komen dagen. Maar het laten zetten van een tatoeage heeft me altijd bezig gehouden. Ik heb op een bepaald moment ook zelf een tatoeage ontworpen. Dat was in de heerlijke tijd dat ik bij Renault Financial Services werkte. Alhoewel, werkte is een groot woord. Grote delen van mijn werkdag kon ik zonder problemen doorbrengen met schrijven en tekenen.

Ik heb toen daadwerkelijk een tatoeage ontworpen waar ik erg mee in mijn sas was. Helaas werd ik daarna alleen maar geplaagd door het Pipo de clown effect. “Zal ik het doen, of zal ik het niet doen?” Vroeg ik mijzelf om de haverklap af. De tekening belandde uiteindelijk in mijn portemonnee, samen met de fotootjes van Alex en Yelena. Tot 2013.

Na twee jaar in Denemarken besloot ik om nu maar eens de knoop door te hakken. Ik toog naar wat volgens internet een goede tatoeëerder was, legde mijn ontwerp op de balie waar een druk tatoeërende artiest er een vluchtige blik op wierp. 1000 kronen, zei hij lusteloos. Ik keerde op mijn schreden terug naar huis. De tekening verdween ergens in of tussen en dook pas weer op toen ik de laatste dozen met spullen die nog bij mijn ex stonden uitpakte.

En opnieuw begon het te kriebelen. Ik vond het nog steeds een mooi ontwerp, er mocht alleen wel een beetje aan geschaafd worden. Dus een collega om advies gevraagd, of hij nog een goede tatoeëerder kende die kon helpen. En aangezien de collega in kwestie van boven tot onder getatoeëerd is, wist hij dat wel. En zo stapte ik anderhalve week geleden een zaakje binnen alwaar een zeer vriendelijke en behulpzame tatoeëerster mij te woord stond. Het resultaat? Nou, kijk maar:


zaterdag 26 augustus 2017

Praktijkbegeleider



Sinds begin dit jaar ben ik praktijkbegeleider, het zal niet ongemerkt gebleven zijn op facebook. Ik begeleid nieuwe collega’s in hun inwerkperiode. Zowel nieuwe vaste krachten als uitzendkrachten of stagiairs in hun eerste schreden op het pad in de wondere wereld der portørs. In mijn rol van begeleider hoop ik mijn passie voor het vak door te geven aan mijn nieuwe collega’s. En dat lukt heel aardig. De stagiair die ik een tijdje terug onder mijn hoede had verzuchtte na een paar weken: “Dit is een baan waar je je verheugt op je werkdag. Doe mij vandaag maar twee extra uurtjes…”

Het is in de eerste dagen heel veel praten en nog meer lopen dan gewoonlijk. Ons ziekenhuis heeft zeven verschillende panden met tientallen afdelingen. En het duurt wel even voor je daar een beetje de weg kent. Dus de eerste rondleiding is erg globaal en richt zich vooral op de praktische zaken. Waar haal je schone bedden, waar lever je gebruikte bedden in, waar zijn de kledingautomaten, waar is de portørcentrale en op welke afdeling heb je de meeste kans op taart….

In de dagen er na volgt de nieuwe collega mij om een beetje bekend te raken met hoe wij ons werk doen. Als die “wegbekendheid” begint te komen, is het de nieuweling die zijn eerste patiënten mag transporteren. Grappig genoeg vinden de meeste patiënten dat ook vermakelijk. En geen enkel probleem dat ze door een onervaren portør vervoerd worden. Zolang er maar een begeleider bij is.

Omdat je in dit werk nogal wat grenzen overschrijdt (zie mijn eerdere column over grenzen), is het bij elke nieuwe collega even aftasten waar die grenzen liggen. De een heeft er geen enkel probleem mee om mee te gaan naar de zesuurs kamer waar dode patiënten liggen, de ander moet daar heel erg aan wennen. Dan is het een kwestie van stapje voor stapje. Terwijl de nieuwe collega op een afstandje staat te kijken, vertellen over de procedures die we volgen. Terloops de overlijdensgegevens laten zien die op het briefje om de grote teen staan, zodat hij of zij uit nieuwsgierigheid toch weer wat dichterbij komt.

Of op de intensive care waar de echt zieke patiënten liggen. Voor ik ze daar een eerste keer meeneem op een ronde, zeg ik altijd dat het geen schande is als ze de kamer even willen verlaten als het ze even te veel wordt. Liever dat ze even op de gang staan, dan dat ze flauw vallen. Voor sommige nieuwe collega’s zijn juist die zieke patiënten die aan allerhande leidingen en infusen liggen, grensoverschrijdender dan een overleden patiënt. Maar vrijwel allemaal wennen ze er aan. 

Na twee weken ga ik om tafel met de nieuwe collega om te kijken hoe het allemaal gaat. Ik volg hem of haar niet elke dag. Soms heb ik vrij, soms avonddiensten. En die hebben die nieuwelingen pas als ze volledig zijn opgeleid. In deze evaluatie gaan we in op de inwerkperiode, wat ze er van vinden, hoe ze de collega’s ervaren en of er dingen zijn die ik als begeleider misschien vergeten ben of die ze opgefrist willen hebben.

Zo’n inwerkperiode is ook voor mij erg intensief. Ik steek veel tijd en energie in een nieuwe collega om er voor te zorgen dat hij of zij de juiste start krijgt en goed beslagen ten ijs komt als de inwerkperiode voorbij is en ze zelfstandig op pad mogen. En soms horen daar helaas ook teleurstellingen bij. Dat iemand, ondanks mijn inzet, toch na een paar weken (of maanden) besluit dat het werk toch niet echt bij de persoon past. Maar gelukkig zijn dat uitzonderingen.

Als ik dan door het ziekenhuis loop en een collega tegenkom die ik heb ingewerkt, is er altijd tijd voor een praatje over hoe het gaat. Of een korte opmerking en een glimlach als ze met een patiënt op pad zijn. Zonder uitzondering enthousiaste, opgewekte gezichten.

En ohja, die stagiair uit het begin van dit verhaal? Die heeft een vaste baan bij ons gekregen. Oorspronkelijk was het plan dat hij bij ons werkervaring op zou doen, voor hij zou solliciteren bij de ambulancedienst. En dan ben je als begeleider toch wel eventjes heel erg trots als je hoort dat hij liever portør wordt. Trots op je werk als begeleider, trots op de stagiair die het werk zo leuk vindt dat hij zijn baanplannen er door verandert en trots op mijn collega’s die hem de werkomgeving bieden waarin hij helemaal op zijn plaats is!

donderdag 1 juni 2017

Statiegeld



Denemarken kent een statiegeldsysteem voor plastic flesjes en blikjes. Onderverdeeld in drie soorten statiegeld: A, B en c. A levert 1 kroon op (13 eurocent), B levert anderhalve kroon op (20 eurocent) en c levert maar liefst drie kronen op (40 eurocent). 

Nu wil het geval dat Denen erg slechte inleveraars zijn. Overal zwerven lege blikjes en flessen rond die zijn leeggedronken en waarvan de eigenaar het statiegeld niet de moeite waard vond om het blikje of flesje mee te nemen om weer in te leveren. En dat heeft er toe geleid dat het oprapen en verzamelen van lege blikjes en flessen hier een hele eigen bron van inkomsten is geworden.

Op zomerse dagen worden parken afgestruind door sjofele mensen met grote plastic zakken die achtergelaten blikjes oprapen. Of ze hangen als aasgieren rond groepjes drinkende mensen, wachtend tot de blikjes worden weggelegd. Dit laatste leidt dan wel weer tot irritatie der drinkers. Prima dat hun blikjes worden opgeruimd, maar hou wel netjes afstand.

Het gilde der blikjesrapers is niet alleen op de mooie dagen actief. Elke dag, weer of geen weer, zie je mensen in vuilnisbakken grabbelen op zoek naar statiegeld. Een of twee plastic tassen met zich mee dragend om hun verdiensten in te verzamelen. Hier is het geen ongewoon gezicht om iemand bij een flessenautomaat in de supermarkt te zien met een winkelwagentje gevuld met zakken vol blikjes. Om dan een half uur lang alles in de automaat te gooien.

De mensen die blikjes rapen of uit vuilnisbakken vissen zijn zeer divers. Een aantal herken ik onderhand omdat ze een vaste route hebben. Oudere mannen, zwervers, van alles. Maar ook veel buitenlanders die op deze manier hun (vermoedelijk) schamele inkomen op deze manier aanvullen. En juist dat laatste bevalt Dansk Folkeparti dus helemaal niet. Buitenlanders die blikjes rapen om er harde contanten voor te krijgen, dat kan natuurlijk niet. Dus zijn er nu voorstellen ingediend dat statiegeld niet meer contant uitgekeerd mag worden. Of dat het alleen via mobilepay overgemaakt kan worden.

En ik geef toe. Ik ben ook voor de verleiding gezwicht. Want hoe je het ook wendt of keert, ik ben een zuinige Hollander en het is gewoon gratis geld… Toen ik de avond van het carnaval naar mijn werk liep, struinend door bergen lege blikjes en flessen, bedacht ik me dat ik eigenlijk een vuilniszak had moeten meenemen. Daar lag voor een aardige grijpstuiver aan statiegeld. De ochtend na carnaval toen ik naar huis liep, zag ik een zigeunerin met twee winkelwagentjes vol blikjes en flessen. “Goed bezig, dat is een aardig centje dat ze verzameld heeft. En de stad wordt er iets opgeruimder van, dus het mes snijdt aan twee kanten…” dacht ik toen ik haar zag scharrelen.

Vandaag heb ik mijn gene overboord gegooid en mijn eerste gratis geld mee naar huis genomen. Iets dat ik goed kan gebruiken. Niet omdat ik nou geld te kort kom. Maar omdat ik een spaarmuis heb. Anderhalf jaar geleden heeft Yelena op het kinderdagverblijf een spaarmuis van papier mache voor me gemaakt. En ik heb met de kinderen afgesproken dat we daar al het losse muntgeld in zouden doen tot de muis vol is. Om daarna iets leuks met dat geld te doen. Alleen…. Vrijwel al het geldverkeer gaat hier elektronisch. Dus ik heb zelden munten om in de spaarmuis te doen.  Na anderhalf jaar is de muis nog maar voor een derde gevuld.

Statiegeld is een manier om aan muntgeld te komen, dus bij tijd en wijle sta ik rekenend voor mijn lege flessen en blikjes om te bekijken hoe ik zoveel mogelijk munten krijg door het combineren van A, B en c statiegeld. Nu ik mijn eerste blikje van de straat heb meegenomen, komt de spaarmuis misschien iets eerder vol. Het doel heiligt de middelen….